maandag 28 mei 2012

zomer



Het mooie weer van de afgelopen dagen vouwt de wereld letterlijk en figuurlijk open. Zonneschermen rollen zich uit; opengeslagen tuindeuren wisselen de muffe binnenlucht voor de zoete geur van pas gemaaid gras. Ook de droger staat stil: schone was klappert in de wind.

Het is verbazingwekkend wat je allemaal leert van deze ommekeer. De achterbuurvrouw zit opeens alleen op haar rotan hoekbank. De kinderhemdjes vol pastelstreepjes bij de buren zijn ingewisseld: achter de badlakens dansen een drietal tienerbehaatjes. Gestippeld roze, met een enkel cartoonfiguurtje. De werkloze overbuurman rookt een sigaretje, pluimpjes kringelen omhoog. Zijn T-shirt ligt over de plastic kuipstoel naast hem. In een doffe plantenbak wiegen de eenjarigen van de spaaractie van de supermarkt om de hoek.
Genietend loop ik met een bordje boterhammen naar buiten. Mijn voeten, met azuurblauw gelakte teennagels, zijn gestoken in teenslippers. Zachtjes, om de kwetterende mussen niet te verjagen, ga ik zitten. “Ja maar, wat vind jij dan?” hoor ik een tienerstemmetje. Door een streepje van de schutting zie ik het buurmeisje voorover gebogen in het gras plukken. “Ja, ik ben waus! En die vakantie dan? … Nee, die betaalt zijn vader”. Gedachteloos gooit ze wat sprietjes de lucht in. “Gek, dat weten ze niet! Gewoon, bij de dokter.” Ik til mijn bordje van tafel en zet het opzettelijk hard weer terug. Het blonde paardenstaartje draait omhoog. Ze is zelfs snel ouder geworden in die paar maanden: binnenkort worden de Snoopyhipsters vervangen door zwart kant.

Vind jij dat ik het uit moet maken?” klinkt het nu wat zachter. Mijn boterhammen zijn bijna op, ik kauw lekker langzaam op de laatste. Een mus hupt over de tegels richting de kruimels. Mijn gedachten dwalen af naar de ultradunne pootjes die het ronde lijfje dragen. Zit er bloed in die stokjes? Dan besef ik me ineens dat mijn omgeving mij natuurlijk ook observeert. Dat blonde mens van het blauwe zonnescherm. Wat zou er over mij te ontdekken zijn? Wat is er in mijn winterstop veranderd? Drie kilo kwijt, coupe soleil in mijn haar, hier en daar een rimpeltje erbij, zelfde tuinstel en twee doodgevroren palmpjes, treurig tussen de andere planten. Het luie mens met de bruine tuin.
De mus pikt driftig tussen de tegels maar fladdert verschrikt weg als achter de schutting twee kleine jongens langs crossen op hun Loekie-fietsjes. Ik sta loom op, wrik de ongehoorzame hordeur open. Het buurmeisje schreeuwt naar binnen. “Mam, mag ik dit weekend de Tina kopen?

zondag 20 mei 2012

hellehond


Op haar pumps met tijgerprint waggelt ze de kamer in. In haar handen een met poëzieplaatjes beplakt dienblad.
"Héhé,” ploft ze op de bank. De paarse legging trekt in haar kruis.
Helen is de nieuwe vriendin van Niko. Vroeger was ik misselijkmakend verliefd op Niko. Stoere, semi-intellectuele Niko. Het is nooit iets geworden, maar Niko bleef altijd ergens opduiken. Nu is Helen er. “Je zult haar enig vinden,” zei hij in de supermarkt. “Kom snel eens op de koffie.”

Helens gezicht glimt van de plamuur en haar wenkbrauwen zijn clownesk zwart. Niko’s studentikoze huis is verworden tot een bloemenpaleis. Plastic koekjes glimmen in Xenos-schaaltjes, zijden klaprozen hangen meewarig in een lampetstel vol opgeschilderde roosjes. Consequent als ze is, heeft ze een tijgerhaarbandje in haar spierwitte, korte haar. Ze zucht verliefd opzij.
Net als ik het wikkeltje van mijn Ferrero Rocher-bonbon afpel, gebeurt het. Het geluid trekt door merg en been en bezorgt me rillingen.
“Chanel hier?” kirt Helen en zigzagt haar achterste naar het puntje van de bank tot haar hakjes de grond raken. Het krabben zwelt aan en er komt een piep bij. Als de deur geopend wordt, stuift er een keffend wit bolletje langs. “Grote meid!” Helen tilt het hondje op en laat haar mond aflikken. “Kuskus voor mama,” fleemt ze met getuite lippen. Ze drukt Chanel op borsthoogte tegen haar goudkleurige truitje. Het tongetje slingert nerveus een nevel van spetters rond.

“Chanelletje mag geen chocosnoepje hè? Ons baby’tje krijgt een hondiewondie-kluifje.” Niko kijkt gelukzalig naar het tafereeltje, met opgekrulde mondhoeken, trots als ware het zijn gezin. De hond springt op de bank. “Eerst pootje voor mama,” zegt Helen. Haar kin is nat en er zit een veeg felroze lipstick op haar wang. “Jij bent zo’n lekkere drol, hè Chanelletje?”. Ze kroelt door het vachtje. Kwijl drupt op het leer.

“Wij hebben onze vakantie al geboekt: twee weken Benidorm. En jij?” Ik ken Niko niet anders dan vol reisverhalen over Cuba, Paaseiland, Congo en Mongolië. Nu is het Benidorm en draagt hij sloffen: bruine pluchen berenpoten. Even flitst er een quote van Socrates door mijn hoofd: “ken uzelf”. Het motto van Niko op school en zijn excuus voor ellenlange filosofische discussies, doorspekt met woorden die ik toen nog niet begreep.

“Ben je gelukkig Niko?” vraag ik als het tijgervrouwtje naar de keuken trippelt. Hij glimlacht engelachtig en sluit een seconde zijn ogen. Met zijn handen rolt hij het hondje omver en masseert het harige buikje. Door de boxen zet Koos Alberts een nieuw deuntje in.

Dan klettert er een gele straal omhoog. Het drupt met een boogje over de bank en kleurt het zalmkleurige karpet grijs. “Hel? Neem even een doekje mee!” roept Niko. “Ons meisje heeft een plasplas gedaan.”

maandag 14 mei 2012

schaamhaar


Op donderdag beslist mijn allerliefste dat hij toe is aan een visweekend. Dat is een mannending vindt hij, en daarom mag ik niet mee. Nu is met negen graden Celsius in een tentje tussen modderige graspollen wachten op het alarm van de visverklikker ook een mannending, dus daar ben ik niet zo rouwig om.

Met een paar dagen bankhangen en zalig prutsen in het vooruitzicht spoed ik mij naar mijn vriendin twee huizen verderop om haar te vragen of ze dit weekend tijd heeft voor een thee-date zonder mannen met veel chocola. Dat heeft ze zeker. Druk giechelend over welke malle meisjesdingen we kunnen doen, zet ze alvast een kopje thee voor mijn neus. Boven ligt haar man te slapen na een nachtdienst. Zoonlief glipt met een demonische grijns de kamer uit; blij dat zijn huiswerkrepetitie onverwacht eindigt. We hebben alle tijd voor een nieuwe mok en nog meer verhalen. Druk grinnikend verstrijkt er bijna een uur; ik veer op als ik tijdens een weids armgebaar de tijd op mijn horloge zie.

Met de sleutelbos al rammelend in mijn handen komt er nog een allerlaatste nieuwtje: komende zaterdag heeft ze een uitje naar Oirschot: Open Dag van de Landmacht. Er schiet mij ook nog iets te binnen en hopla, we zijn weer een half uur verder. En wanneer spreken we nou af komende week? Zachtjes gaat de tussendeur open. Met alleen een strak boxertje om het verder poedelnaakte lijf verschijnt buurman in de kamer. Hij wrijft in zijn ogen, krabbelt over zijn blote buik en mompelt iets onverstaanbaars. Zijn haar piekt woest alle kanten op. Dan ziet hij mij. “Had je dat niet even kunnen zeggen!,” murmelt hij naar mijn vriendin en hupt supersnel weer terug richting trap. Weg is hij; beschaamd en helemaal wakker.

Thuis tref ik een grote chaos. In de woonkamer liggen op de vloer vijf hengelmolens, vishaakjes, blikjes maïs en boilies en de eettafel is volgestouwd met zaklantarens, een slaapzak, onderzeil, toilettas, batterijen, een vouwkrukje en nog meer kampeergerei. “Ik zie dat je mijn maïs en ontbijtkoek uit de kast hebt gepikt?,” grap ik vrolijk maar daar heeft mijn visser geen tijd voor. Hij is druk bezig om snoer op de molentjes te draaien.

Tijdens het strijken controleer ik mijn smsjes en ik zie een berichtje van buuffie. Met in mijn hand vier sokken lees ik: ‘Was supergezellie maar B. baalt enorm dat je hem zo zag’. Ik glimlach om alle drukte. Hoe erg kan het zijn: plofhaar, twee harige benen en een onderbroek?

De wekker gaat veel te vroeg op zaterdagmorgen. Ik draai me nog even lekker om en merk niet wat er om me heen gebeurt tot mijn man ineens over mij heen hangt. Hij wil nog even gedag zeggen voor hij voor dag en dauw wegrijdt naar zijn visstek. Zal ik hem missen deze dagen? Ik knor en piep en voel een natte zoen op mijn wang. De kamerdeur gaat zachtjes dicht.

Pas als de voordeur in het slot valt schrik ik op. Mijn lief! Mijn lief gaat weg! Ik storm naar het raam waar de opkomende zon de dag aankondigt. Slaapdronken trek ik de Luxaflex open, want ja, ik ga hem missen! Voorover geleund druk ik mijn gezicht tegen het raam.

TOETTOET, klinkt het vrolijk. Terwijl mijn schat op zijn gemak de auto start, rijdt voor het raam de complete buurfamilie langs. Keurig gekapt en gekleed zwaaien ze als gekken schuddebuikend naar mij in mijn verwassen, roze Hello Kitty-pyjama, met dikke slaapwallen onder mijn knijpogen en een ontplofte vacht op mijn hoofd. Mijn man volgt met een kushandje.

maandag 7 mei 2012

vrouwen-perikelen

Wat is het toch heerlijk om vrouw te zijn! Iedere ochtend is het weer feest met de vraag: wie word ik vandaag? Mijn humeur en afspraken van die dag bepalen wie ik wil zijn: tutje, hippie, rockchick of Barbie. Ik wissel gewoon heel eenvoudig mijn oorbellen en haardracht. Ik kies tussen parel- of veterketting, gympies of heels, minirok of jeans en hup, de transformatie is compleet.

Nou staat het er wel heel erg luchtig, maar let op! Het is zaak om niet te licht te denken over alle inspanningen die het kost om er iedere dag weer verfrissend en geweldig uit te zien. Dit is een jarenlang investeringsproces. Bloed, zweet en tranen verwerkt in tijd, geld en doorzettingsvermogen. Ook moet ik, om er een beetje stylish uit te zien, creatief en up-to-date blijven. Dat kan alleen met de luxe glossy’s. Ik heb zeker vijf abonnementen nodig. Succes betekent hard werken!

In tegenstelling tot een man, koopt geen enkele vrouw jarenlang dezelfde onderbroeken. Nee, damesondergoed varieert continu in hipheid. Het ene jaar is de string helemaal “it”, dan schrijft Sloggi weer een tailleslip voor. Tussendoor is het goed opletten met de hipster, boxer, tanga of rio. Ook de pasvorm verandert ieder seizoen: de bikinislip van 2010 zit echt compleet anders dan die uit 2012!

Zelfs iets ogenschijnlijk ultra-simpels als een panty vereist jarenlange pas-sessies. Je zou er gek van worden. Ieder warenhuis en merk voert andere maten; de ene maat L is de andere niet! "Huidskleur” heet overal anders. Kies ik nude, hazel, caramel, skin, tendresse, caresse of natural? Neem ik acht, vijftien, twintig, dertig, of veertig denier? Of toch vijftig? Daarna komen de dilemma’s over wel of geen ingezoomd kruis, te knellende taillebanden of knullig versterkte tenen. Dat kost bakkenvol energie. Gelukkig begrijpt mijn lief dat ik voor een goede panty gewoon echt een hele dag moet winkelen.

Mijn klerenkast is een paradijs. Een levenswerk. Een goed formaat kast is van het grootste belang; simpel “extra large” is voor beginnelingen. De walk-in-closet is “the real thing”. Al mijn accessoires en kleding heb ik uren- en urenlang gesorteerd op seizoen, prijs, kleur en levensfase. Mijn kast is een tijdmachine die toont wie ik ben. Die mij herinnert aan vrijers wiens stijl ik klakkeloos overnam. Dat is het resultaat van vele jaren hard werk.

Een of twee keer per jaar delf ik het onderspit. Als wij op vakantie gaan, haalt mijn schat twee koffertjes van zolder. De zijne is zo gepakt. Ik ben wat langer bezig. Eerst leg ik de snoezigste setjes klaar op bed, maar als ik mijn toilettas in mijn koffer leg, passen er nog net vier paar teenslippers, vijf bikini’s en zes kledingstukken bij. Dan wik en weeg ik urenlang, vaak nog tot ver voorbij etenstijd. Na dagen zwoegen klik ik, zittend op het deksel, de sloten dicht. Mijn boek en zonnebrandcrème heb ik dan al stiekem in de andere koffer gefrot.

Eenmaal op weg naar het vliegveld ben ik echt toe aan vakantie. Uitgeput van al het combineren en schiften ben ik zwaar gefrustreerd omdat er nog geen vijfde van mijn lijstje in de koffer past. Puffend in de vliegtuigstoel fluistert mijn man dan altijd lief “zie je nou schat, je hebt helemaal niet meer dan één koffertje nodig om gelukkig te zijn”. Ik glimlach terwijl het zweet van mijn hoofd gutst. Onder mijn rekbare joggingpak draag ik drie lingeriesetjes, zes topjes, drie shorts, een sweatertje en twee leggings. Erover een sjaaltje en een wikkelvestje voor de leuk. Je bent een vrouw of niet.

zondag 29 april 2012

scootmaffia


Als ik het parkeervak wil insteken, rijdt ze vlak voor mijn bumper langs in haar scootmobiel, het ijzeren mandje voorop. Zonder vaart te minderen rijdt ze door en snijdt een fietsende oude man. ‘She’s trouble’, denk ik als ze door de schuifdeur stuift. Ze zit kaarsrecht in haar karretje, een oranje spoeling in het haar.

Ik sta gebukt over de vleeswaren als ze tegen me aan botst. Dat ze het suède van mijn laarzen bekrast, deert haar niet: het blijft muisstil. Ze slingert mijn karretje opzij. “Kolerezooi”, trakteert ze. De pook gaat in zijn achteruit en het wagentje dendert verder.

Met vier flessen wijn tinkelend in het mandje passeert ze me weer als ik naar het brood loop. De rubberen banden verpletteren een badstoffen nijlpaardje op de tegelvloer. Ik sta met het popje in mijn handen als ze weer voorbij sjeest met op haar schoot een los croissantje. Zonder omkijken trekt ze twee zakken winegums uit het rek en frommelt het lege broodzakje achter de lolly’s in het schap. Stoïcijns zoemt ze naar de zuivelafdeling. Met haar vingers duwt ze schrokkend de punt van het broodje in haar mond.

Voor de yoghurt rolt een klein Turks jongetje een kinderwinkelwagen heen en weer. Zijn vader leest fronsend het Yokidrink-etiket. “Woei!” glundert de kleuter als hij het wagentje ronddraait en het oranje vlaggetje rondcirkelt. Mijn scootvriendin geeft gas: “aan de kant, ik ben gehandicapt”.

Ik tref haar weer bij de tijdschriften. Het zwarte jack kraakt als ze haar gelige vingers aflikt voor ze de bladzijde omslaat. Achteloos smijt ze de Story op de stapel Privé’s, de voorpagina is beduimeld. Nors trekt ze op tot haar blik blijft hangen op een dikke stapel glossy’s in plastic. Ik zie haar denken. Als een havik loert ze door het gangpad. Dan buigt ze lenig voorover en pulkt met haar vingers een gat in het folie, groot genoeg om het gratis armbandje eruit te graaien. Ik sta zo perplex dat ik me verstop achter het kaartenrek. Ze frommelt het kleinood in haar jaszak. Als ik lef heb, spreek ik haar aan! Mijn twijfel duurt te lang. Ze kijkt glazig om zich heen als ik Wagners bruidsmars hoor.

“Wat nou Heineken? Brouwer is ook bier.” mokt ze in haar telefoon. In de korte stilte die valt zie ik de sticker op haar karretje. De heer in het verkeer is meestal een dame, staat erop. “Dan drink je maar water” gilt ze. Met een “Je kan de klere krijgen” klikt ze haar mobieltje dicht om gas te geven richting kassa.

Met het beurtbalkje prikt ze ruw de banaan van haar voorganger aan de kant om haar mandje omslachtig op de band te legen. De scanner bliept. Zachtjes zuchtend legt de andere dame het geprakte fruit bovenop in het kratje: ook zij durft niets te zeggen. Na het afrekenen rolt de boodschappenband verder. De jonge caissière glimlacht als ze de scootmobiel ziet en buigt zich voorover achter de plastic balie. Ze gaat er speciaal voor staan. “Alstublieft mevrouw, uw bonuskaart terug!”. Peenhaar grist hem uit de handen van het meisje. “Ik wil er wel zegels bij. Dat gezeik hier altijd”, blaft ze.

maandag 23 april 2012

smeerpoets


Mijn beste vriendin heeft een nieuwe liefde: Harold. Harold is enorm geestig, ontwikkeld, stijlvol en een grote fijnproever. Zegt mijn vriendin. Harold noemt zichzelf op z’n Frans “gourmet”. Vandaag komt hij naar mijn verjaardagsfeestje.

Vroeger sneed ik gewoon wat cervelaatpuntjes, kieperde een zakje borrelnoten in een kek kommetje en als ik goedgemutst was, frituurde ik kipnuggets. Lekker met een zakje dipsaus. Bij Harold kan ik daar natuurlijk niet mee aankomen. Ik zal hem gastvrij laten zien met welke stijlvolle en ontwikkelde vrinden zijn nieuwe vlam zich omringt.

Vroeg in de morgen trap ik hard op mijn pedalen naar de bakker voor een progrestaart en sluit aan in de rij bij de scharrelslager voor de allerbeste chorizoworst. In een moeite door wip ik de supermarkt binnen voor zongedroogde tomaatjes, biologische pinda’s en andere lekkernijen die van mijn partijtje een groot succes gaan maken

Met een grote bos tulpen van het tankstation staat hij voor mijn deur. Elsa wiebelt wat bedremmeld naast hem. “Hij was het vergeten” bitst ze onhoorbaar in mijn oor als ik in de keuken koffie inschenk. Harold ploft neer in een stoel zonder zich voor te stellen. Voordat de koffie is uitgedeeld, schrokt hij met drukke gebaren zijn gebak naar binnen. “Dat smaakt naar meer!”. Zijn ogen glimmen hebberig. Een stukje schuim trilt mee op zijn kin.
Dolgelukkig bekijk ik mijn nieuwe oorbellen, Elsa’s cadeau voor mij. Vertederd kijk ik haar richting op. In mijn ooghoek zie ik twee schijven osseworst wegglijden in Harolds keel, op elkaar gespietst aan één cocktailprikker. Rode vleesbrokken rollen half naar buiten als hij hardop lacht om mijn kleine nichtje dat haar knie hard tegen de tafelpoot stoot. Elsa kijkt vernietigend; Harold knipoogt terug. Mijn moeder knipoogt op haar beurt naar mij.

Als het ovenbelletje rinkelt, vlucht ik de keuken in, Elsa als een magneet achter me aantrekkend. Ze heeft rode konen en snuift door haar neus als ze plakjes stokbrood snijdt. Het mes zaagt na ieder schijfje nog even door op de broodplank. In de kamer is het muisstil. Met vrolijke prietpraat verbreken we de stilte en zetten extra schaaltjes op tafel. Harold grist direct een stukje brood uit het mandje. Dan prikt hij het mes in de kruidenboter en smeert een flinke lik op het plakje brood. Bovenop de boter trekt hij een duimendikke portie kruidenkaas. Daarop duwt hij een olijf en twee pinda’s. Zonder proeven propt hij het gedrocht naar binnen. Elsa sluit haar ogen.
“Ik ken nog een goeie mop!” roept Harold. Het is de eerste en laatste die ik hem ooit hoor vertellen. Elsa staat naast hem met twee jassen in haar handen.

maandag 16 april 2012

coma

Langzaam wrikt ze haar ring af zodat de grote steen geen krassen kan maken. Zijn voorhoofd voelt net zo warm als anders als ze er haar handpalm op legt. Alleen de groefjes schilferen een beetje door de droge lucht. Zachte stoppeltjes prikken wanneer ze haar wang tegen de zijne drukt.

Afgestompt drukt ze haar neus in het kraagje van zijn pyjama. Zelfs hier geen herkenning maar de geur van waspoeder, zacht en met weer een ondertoon van bloemen. Zijn altijd vertrouwde geur, mannelijk met een klein zweempje zweet, is vervaagd.
“Kun je me horen, lief?” fluistert ze net als iedere dag, maar een antwoord zal niet komen. Haar man slaapt. Al weken sinds het ongeluk, nog wel de eerste dag op hun vakantie. In zijn diepe rust bolt het laken omhoog als hij inademt en verder gebeurt er niets. Hoogstens hoort ze af en toe een piepje. Ze knijpt zachtjes in zijn hand, masseert de bovenkant met haar klamme vingers. Een zuster komt de kamer binnen met een kopje thee. Ze knikken naar elkaar. Gisteren hebben ze hem samen gewassen omdat ze de eerste doorligplekken zelf wilde zien. Als ze het schoteltje aanneemt, ontsnapt een flintertje rozenzeep uit de korte mouw van het witte schort. De geur van witte rozen, betoverend in haar bruidsboeket en zo prachtig bij de stoffen strikjes, is nu onverdraaglijk. Thuis heeft ze al weken geen bloemen meer gekocht.

Het missen is een grotere kwelling dan alle overwonnen hindernissen uit het verleden bij elkaar opgeteld. Ze heeft spijt van ieder woord van kritiek. Iedere ruzie lijkt nu zo onzinnig en voor niets geweest. Ze had de uren samen meer moeten koesteren, vaker bij hem kunnen zijn. Alles heeft ze over voor een laatste keer samen wakker worden met zijn armen om haar heen. Slaapdronken duwde ze vaak loom haar billen tegen zijn lies en lag ze ingeklemd in een warm holletje onder het dekbed. Veilig opgekruld tussen buik en kin streelden zijn handen haar dan wakker. Zijn dunne lippen drukten zachte kusjes in haar nek. Het gevoel om niet meer exclusief en speciaal te zijn voor iemand steekt messcherp in haar hart. In het grote bed hoort niemand haar tegenwoordig huilen. Het katheter druppelt langzaam vol, langzaam glijden donkergele druppels door het slangetje. Met glazige blik kroelt ze door zijn haar. Het moet binnenkort geknipt worden. De anders zo weerbarstige bos wordt aan de achterkant al dunner.
Hakken tikken op het linoleum in de gang. Een overdreven vrouwenlach. Ze draait haar trouwring weer om haar rechtervinger, trekt het ceintuur van haar jas strak en peutert uit de smalle klepzak haar zonnebril. De kinderen wachten thuis. Een laatste kus. Niet vergeten om morgen zijn eau de toilette mee te nemen.

zondag 8 april 2012

tepelsap

De term goorlap slaat helemaal op mij. Ik ben in mijn element als ik zwetende blauwe schimmelkaas,bruine bonensoep of knoflooksaus kan eten. Ik peuter in mijn neus. Knabbel wel eens op een huidkorstje. Ik laat regelmatig ergens een flinke stinkerd, liefst in een supermarkt, en draag rustig twee dagen dezelfde sokken. Ook in bed laat ik windjes. Scherpe zwavelbommetjes zonder geluid, een soort zuchten. Vroeger rook ik dan nog wel eens onder de deken en jureerde het resultaat een “stinkfactor” toe. Dat doe ik niet meer. Mijn lief vond het zo’n ranzige gewoonte dat hij er op verjaardagsfeestjes over begon. Al jarenlang noemt hij mij “Stinkie-winkie”. In ruil daarvoor wrijf ik na iedere grote boodschap rondjes op mijn buik, precies zoals de echte Teletubbie. “Oh oooh!” zucht ik dan.

Al deze gorigheid valt echter in het niet bij wat me vandaag overkwam. Buiten ravotten de eerste buurtkindertjes in korte broek. Bij de buurtsuper verdwenen dozen vol raketten in big shoppers en voor het tankstation stonden de eerste zakken houtskool. Het wordt lente. Langer liegen dat mijn niet zo goddelijke lijf bikini-proof is, heeft geen zin. Het is tijd voor een nieuwe fase: het badpak. Op naar de stad dus.
Langs overvolle terrasjes slalom ik de chique ondermodezaak binnen. De verkoopster knikt minzaam, nog niet vergeten dat ik twee weken geleden een nieuwe pyjama bevlekte. Een klodder mayonaise, van mijn frietje van daarvoor, was meegelift op mijn mouw. Terug grimassend gris ik uit het rek een zwempak in mijn maat en vlucht richting pashokjes. Tussen de stofvlokken op de vloer wiebel ik in mijn vanillekleurige turbo-onderbroek, genadeloos gekopieerd door de spiegel. De wintervacht op mijn benen is lang genoeg voor dreadlocks. Ik controleer of het gordijntje echt goed dicht is.

Met mijn sokken nog aan buk ik voorover in het tl-licht om mijn lellende melkflessen in het peperdure zwempak te wriemelen. Het lijfje stroopt als een knakworstvelletje om mijn heupen en zit muurvast. Ik zoek de schouderbandjes om ze op te sjorren. Dan zie ik ze. In de sponzige push up-voering zit in beide cups een flinke witte, vettige vlek. Moedermelk. Categorie “een paar dagen oud”. Ik duw het rode nylon van me af. Dit is nog viezer dan een remspoor.
“Bevalt -ie?” vraagt de verkoopster zuinigjes aan de andere kant van het gordijn. “Wilt u nog een andere maat proberen?”. Ik sta voorover gebukt en pel met mijn vingertoppen het stukje stof van mijn benen. “Nee hoor” piep ik opgewekt. “Gaat prima!”. Dan trek ik al mijn kleren aan. Zittend op het krukje knoop ik mijn jas dicht en broed op een strijdplan, in de tussentijd nerveus het bezoedelde nylon terug op het hangertje puzzelend. Hoe leg ik dit uit? Moet ik het badpak betalen als ik het vertel? Word ik voortaan nagewezen als “vieze vrouw”? Ik trek een velletje van mijn duim, stop het sliertje in mijn mond en blijf kauwend zitten waar ik zit.

Ruim twintig minuten wacht ik; mijn oksels klotsen van het zweet. Dan zwelt een gekwebbel aan en twee dames winkelen richting paskamers. Naast me wordt het gordijntje dichtgetrokken. ”Apart hé, deze kleur?” klinkt het vrolijk. Haar vriendin mompelt wat terug en neemt vol verwachting plaats op het poefje voor de hokjes. Ze kletst honderduit met de verkoopster die ontspannen tegen de muur leunt. Vliegensvlug trek ik het gordijntje open en knik de dames toe, het rode badpak strategisch over mijn armen gedrapeerd. Snel. Zevenmijlspassen. Met kaarsrechte rug hang ik het hangertje,hopla, terug in het rek en haal mijn schouders op naar de verkoopster. Van pure opluchting ontsnapt een windje.

zondag 1 april 2012

Alle Menschen werden Brüder


Daar vertrek ik dan: opgesmukt en een uur te vroeg –want-je-weet-maar-nooit- naar een sollicitatiegesprek. Mijn toekomst! Omdat Arnhem-Amsterdam voor een meisje uit de polder toch een hele reis is, pak ik een flesje water uit de koelkast en gris een appel van de schaal. Daar ga ik, mijn auto lief aankijkend bij het starten. Biddend dat mijn navigatie geen truc met me uithaalt.

Na een kwartier gaat het al mis: file bij Arnhem Noord. Weliswaar een korte, met een dik kwartier ben ik er doorheen, maar toch. De geschatte aankomsttijd is een kwartier opgekropen. Mijn rechtervoet trapt dieper. Als ik tijdens het sollicitatiegesprek mijn ene hand wat onder de andere schuif, ziet niemand de afgevreten nagellak.

Terug opgenomen in de sliert rijdende auto’s bonkt mijn hart steeds minder gelijkmatig; zeg maar van de kabbelende melodie van BZN naar een stukje Metallica. Tik, tik, tikkerdetik. Ik stof de cd van Enya af en kauw op een volgende nagel.

Bij Veenendaal rij ik in de tweede file en trek mijn eerste haren uit. De navigatie verschuift de minuten die ik nog heb voor parkeren en inlezen. Met nog tien minuten reservetijd op de teller kan het gas weer open.

En daar is hij. De megafile voor Bunnik van 28 maart. Ik sta finaal in het midden. Mascaravlekjes glijden onder mijn wimpers naar de ooghoeken. Met een pluk haar in mijn handen bel ik mijn afspraak die begrip toont. “Ben maar blij dat jij niet de eerste bent!”. Lief, maar mijn schaamte is groot. Stug blijf ik zitten tot ik merk dat ik de enige ben in de hele rits met een stationair lopende motor. Wat een stilte ineens! Ik stap uit. Achter me een zakenman in een Alfa, druk bellend. De losgetrokken stropdas slingert over zijn paarse blouse. Daarachter een meisje in een Volvo dat moedert over haar peuter. Voor me twee glazenwassers, ieder een buil shag in hun handen en tussen de peuken door tuffen ze rolbevestigend klodders spuug op het wegdek: “Tiswah!”

Meneer de zakenman heeft geen haast: in plaats van eerst naar kantoor rijdt hij straks gewoon direct naar zijn klant. Volvomama is op weg naar haar ouders voor een winkelsessie. En ik, ach, ik heb alleen maar de meest belangrijke sollicitatie uit mijn hele leven. Mijn stem slaat over als ik het hardop zeg.

Tussen de auto’s wordt gewandeld. Wildvreemden kletsen schaterlachend met elkaar op de vangrail. Kinderen delen snoepjes uit of turen in de verte. De zon straalt barmhartig en Sanne, het peutertje, kijkt verhit in haar Maxi-Cosy. Midden op de A12 schenk ik mijn flesje water half over in een berentuimelbeker.
Achter de middenberm scheurt het tegemoetkomend verkeer. Triomfantelijke gezichten onze richting op. Je ziet ze denken. Ons vak ondergaat het gelaten en ik verbaas me over de kalmte en vooral de solidariteit. Het maakt me trots: meneer Wilders heeft niet in alles gelijk.

Een kleine twee uur later glimmen de auto’s vooraan blikkerend door hun beweging. We stappen een voor een in. We zullen elkaar niet meer terug zien; de verhalen ooit vergeten. Ik zet de radio aan. Poets de mascaraveegjes weg. Toettoet, zwaait de moeder van Sanne met de appelwangetjes in het zitje. En voor de aardige meneer met het paarse overhemd: als u dit leest, ik ben door naar de tweede ronde!

maandag 26 maart 2012

Carolyn's droom

Aan een van de afgebladderde tafeltjes zit Leo. Leo komt altijd een paar minuten voor sluitingstijd. Ook al mag Carolyn geen overuren schrijven, ze heeft hem nog nooit weggestuurd. Ze zet het slordig opgemaakte bord voor hem neer. “Nog een kopje koffie?” Leo knikt. “Lekker”. Met zijn vork prikt hij een eidooier stuk.

Achter de bar telt Carolyn haar wisselgeld af. Vijftig euro, waarvan twee briefjes van tien en de rest in muntjes, gaat in de grote, zwarte portemonnee waarmee haar collega morgen opent. Ratelend slaat de kassa af; een sliert wit papier krult over de plastic toetsen. Leo’s bestek tikt zachtjes. Onderaan de bon staat het door haar af te dragen bedrag. Het is het meest spannende moment van de dag. Wat ze overhoudt na het aftellen van het wisselgeld en de verkopen, is haar ontvangen fooiengeld.
Carolyn’s salaris is net genoeg voor haar vaste lasten en een karige boterham. De fooi, daar draait het om. De acht tot dertig euro die ze per dag overhoudt, stopt ze thuis in het zwarte, rieten doosje onderin de wasmand. Iedere zondagmiddag pronkt het doosje op de eetkamertafel en telt ze opnieuw. Ooit zal ze genoeg hebben. Na bijna vier jaar is ze nu over de helft.

“Heb je er nog over nagedacht?” vraagt Leo als ze zijn lege bord wegneemt. Ze bloost. Het is een hoop geld voor één nacht. Hij heeft het al een paar keer voorgesteld. “Eén keertje maar?” zegt hij soms, en op het toegeschoven kassabonnetje staat dan een bedrag waarvan ze nachten wakker ligt. Haar hart bonkt in haar keel. Ze frommelt de papieren placemat tot een prop.

Terug achter de bar spoelt ze de laatste glazen. Vult de suikerpotjes. De halve citroen moet nog in folie. Leo haast zich niet. Ze denkt aan het doosje, de afgelopen jaren, de wisseldiensten. De avonden dat ze thuiskwam om met beurse voeten nog een schortje op de hand te wassen zodat het de volgende ochtend strijkdroog zal zijn. Leo heeft zijn aanbod al twee keer verhoogd. Zo dichtbij is ze nog nooit geweest. Als ze ja zegt, kan ze zich voor de kerst al inschrijven. Ze sluit haar ogen als ze zich herinnert hoe gelukzalig ze soms in slaap valt na het tellen, tegelijkertijd de pijn van de afstand tot haar droom. Het sprokkelen en bikkelen maakte haar een vermoeide strijder met verlept haar en fronsrimpeltjes. Heeft ze de suikerpotten al bijgevuld?

Leo staat aan de bar; een briefje van twintig tussen zijn vingers. “En?” vraagt hij. Zijn hand stopt de hare als ze hem zijn drie euro twintig aan wisselgeld aanreikt. “Is goed zo” knipoogt hij. Zijn tong likt zijn lippen. Zijn hoofd nu schuin, gretige ogen. Carolyn strekt zich voorover tot ze zijn hand kan pakken. In het kommetje dat ze maakt, drukt ze het briefje van twintig en vouwt zijn vingers er omheen. “Leo”, hakkelt ze, met blosjes op haar wangen. “Je moet hier maar niet meer komen”.

zondag 18 maart 2012

misbaksel


Ooit matste ik mijn collega Wim. Als dank kreeg ik van hem een doos chocolaatjes. Het was mijn lievelingsmerk en ik kon bijna niet wachten tot ik thuis was. Schuifelend op mijn berensloffen, met in mijn handen een kop thee en de doos, viel er onderweg iets op de grond. Het was een kerstkaart met “een vrolijk kerstfeest van Bob en Rianne”.

Wim is gevreesd en berucht om zijn gierigheid. Systematisch schuifelt hij naar het toilet bij acties voor goede doelen en sponsortochten. Huwelijksparen kunnen rekenen op een donatie van twee euro want “ik ga toch niet” en gokken in voetbalpoules “kan ook voor de lol”. Op Moederdag krijgt zijn vrouw stekjes uit de tuin. Ooit gaf hij me een geschenkdoos met badschuim. De spons vertoonde gebruikssporen.

Hitsig naar cijfers, verwerkt hij als rasechte boekhouder tijdens lunchtijd de biedingen op zijn Marktplaats-advertenties. Hij heeft daar zelfs een spreadsheet voor. Zijn neus ademt dan zo dicht tegen het scherm dat er vochtplekjes op zitten. Op zijn bordeauxrode spencer dwarrelen witte brokjes brood.

Juist Wim wint als grote afwezige tijdens de bedrijfstombola een kistje wijn én een elektrische barbecue. Hilarisch besluiten we unaniem dat er die zomer bij hem een tuinfeest gehouden gaat worden. Wanneer we hem dat op maandag vertellen, trekt hij wat aan zijn spencer en lacht geniepig. “We zullen zien mensen, we zullen zien”.

De Tefal-doos gaat dezelfde dag achterop de fiets mee naar huis. Voor de wijn is geen plek.
Een paar dagen later staat het kistje nog op zijn bureau. Voorzichtig komen de eerste grapjes. We zoeken wijnkistjes op Marktplaats maar het staat er niet op. Na anderhalve week wordt op zijn vrije dag het opzwepend gejoel naar een hoogtepunt geduwd. Twee collega’s breken het kistje open. Voorzichtig wrikken ze de nietjes uit het deksel en leggen twee rode bakstenen in het krullende stro. Met chirurgische precisie wordt het kistje weer hermetisch gesloten. De twee volle flessen worden keurig in de kast gezet, tussen de voorraad nietjes en paperclips die Wim regelmatig telt. Een paar dagen later is het houten kratje weg.

We zitten in de kantine als hij zijn blikken lunchtrommel opent. De kaas op zijn ontdooide boterhammen is donkergeel en zweterig geworden. Hij kijkt er verlekkerd naar. Met een knipoog naar ons vraagt de secretaresse “en Wim, hoe was de wijn?”. Wim staart haar aan. “Je bedoelt dat kistje? Dat weet ik niet. Mijn schoonvader was gisteren jarig.”. In een flits springt hij op en hupt een pas naar achter. Druppels lekken op de grond. Mijn beker thee is omgevallen.

maandag 12 maart 2012

kattenpis

Wat ben ik toch ontzettend blij met mijn blog. Ik publiceer mijn schrijfsels en die worden dan ook nog gelezen!

Op sommige dagen kijk ik wel tien keer hoeveel bezoekers ik die dag heb. Dit blogje heeft namelijk een programmaatje dat statistieken bijhoudt. Zo kan ik zien hoeveel bezoekers ik per dag of week heb, op welke dag het erg rustig is (zondag), en uit welk land mijn visite komt. Ik kan zelfs opzoeken of mijn bezoekers komen via een “verwijzingssite” of een “zoekcommando”. Dan zie ik bijvoorbeeld dat er zeven personen “Karmanie” in Google hebben getypt en daadwerkelijk hebben doorgeklikt naar mijn verhaaltjes.

Vandaag zag ik dat mijn blog is bezocht na het intikken van de zoekterm “deerne”. En verrek, Dolle Deernes is een van mijn columns! Maar wat zoekt iemand nou precies die “deerne” intoetst op het Internet? En wat moet ik denken van de  bezoeker die na het intypen van “kontjes” terecht komt bij mijn stukje over kinderbillen? Ik wil natuurlijk wel een nette blog.

Hardop moest ik lachen toen ik zag dat mijn blog door iemand is gelezen door het intypen van de zoekterm “kattenpis op dekbed”. Ik pies bijna zelf als ik dat lees.

Zou de term zijn ingetikt door een vrouw? Een man schuift piesproblemen makkelijk naar de echtgenote. Of hij slaapt gewoon verder onder de stank tot zijn tweewekelijkse wasdag. Zou de “dekbedpieser” net zoals in mijn verhaal Katers een insluiper zijn? Of is het gewoon sangria omdat dochterlief op het ouderlijk bed televisie keek? Hebben we het hier over een eenmalige plas of is er een “urnorm” probleem? Houdt deze vrouw van Abba? Heeft ze ook een badpak met stippels? Of een roze douchemuts? Eet ze liever friet of kreeftenbisque?
Mijn fantasie slaat op hol en erger, u worstelt zich braaf door mijn gekronkel. Leuk hé, bloggen?