dinsdag 18 juni 2013

ken ik effe vanguh?

Een collega-schrijver en vriend van me is flink de Sjaak. Onlangs ontving hij een strenge brief vol ambtelijke taal waarin Meester Daniëlle (ik kreeg spontaan visioenen van lakleren knielaarzen en knallende zwepen) dreigde met fikse boetes wegens schending van het auteursrecht. Mijn vriend had het namelijk in zijn idiote hoofd gehaald een van zijn columns te decoreren met een op het internet gevonden foto. Krijtwit schreef hij excuses en wiste dezelfde dag nog alle foto's van zijn blog. Zelfs de koddige privéfoto's uit zijn bloedeigen Canon-cameraatje werden angstig weggepoetst.
Het mocht niet baten. De genadeklap kwam vandaag. De fotograaf is zo ontriefd, dat hij meent een forse schade op te lopen wegens "schending van de exclusiviteitsrechten". Dat de foto verwijderd is, doet er niet toe. "Cliënt vindt dat een beroep op de goede trouw niet kan baten, nu volgens vaste jurisprudentie eventuele onwetendheid voor eigen risico van de inbreukmaker komt."
Begrijpen doet vriendlief het half, maar als hij binnen vijf dagen 350 eurootjes dokt, gaat mevrouw Kaplaars niet naar de rechtbank.


Niet iedereen zal het gevolgd hebben, maar ook schrijver Kluun maakte kennis met dit verschijnsel. Hij ontving maar liefst vier facturen. In plaats van de gewraakte foto's te wissen, blokkeerde hij eenvoudigweg zijn hele website. Ook zijn Facebook-account staat op non-actief. Ik zie hem voor me aan zijn werktafel. Met een leeg hoofd door zijn opkomend writersblock, rekent hij op een Superman-calculator uit hoeveel fotografen zijn boek of de film "komt een vrouw bij de dokter" illegaal hebben gedownload.
Het raakt mij persoonlijk. Mijn vriend doet niets anders dan ik. Lekker stukkies schrijven. Alles gratis, ter lering ende vermaeck, maar vooral vanuit een diepe, verzengende passie. Vanuit een kriebel; een noodzaak om te schrijven en een fijne pagina aan te bieden. Tot nu toe ben ik de dans ontsprongen, al heeft u vast gemerkt dat ik al weken geen plaatjes meer gebruik. De tijd die ik normaal stopte in het zoeken van afbeeldingen, besteed ik nu aan het aanschrijven van bloggers. Iedere student die dicht, bijstandsmoeder die bespaartips geeft of zakenman die kennis deelt: iedereen waar ik een dubieus plaatje vind, krijgt een waarschuwende mail van me. Want meesteres Daniëlle waarschuwt niet, en dat vind ik nog het ergste. Mij is verteld dat er zelfs fotografen zijn die bewust een foto laten 'zwerven' met een code erin verstopt, zodat ze hem later kunnen googelen om extra inkomsten te generen.
Ik ben er druk mee, met dat waarschuwen. Nederland bezit duizenden, nee wat zeg ik, tienduizenden bloggers. Honderden columnisten en schrijvers die belangeloos informatie delen met de wereld. Soms lees ik de verhalen met een traan, omdat ze vertellen over hun ziekte, frustraties, of zoektocht naar werk. Of ik vind ineens de meest prachtige gedichten en foto's. Een paar van de mooiste thrillers die ik ooit ontdekte, las ik gewoon gratis op een persoonlijke website of blogpagina. Een spannend of grappig plaatje hield dan mijn aandacht vast en voor ik het wist, was ik verknocht.


Dus, beste bloggende hobbyschrijver: mocht je de komende weken géén persoonlijk mailtje krijgen van ene Karmanie: wees gewaarschuwd. Meesteres Daniëlle en consorten slijpen met glimmende oogjes en kinnen vol kwijl hun botte hakbijlen.

dinsdag 11 juni 2013

sprookje

Er was eens een klein meisje, dat zo prachtig, schattig en lief was dat iedereen haar bewonderde. "Wat heb je mooie krullen," zeiden de mensen toen ze nog jong was, en ze trokken haar op schoot. "Ik ken niemand met zulke lieve kuiltjes in haar wangen als jij." Huppelend rende ze in haar prinsessenjurkje door de straat en schonk iedereen die maar wilde haar meest stralende lach.
Op de middelbare school kwamen de eerste barstjes. Vond ze in groep acht haar etui wel eens vernield terug in haar jaszak, in de brugklas krasten de meisjes uit haar klas in haar agenda. Wij moeten jou niet op het schoolfeest, schreven ze. Jij bent niet welkom.
Tijdens de gymles, een jaar later, dacht ze te begrijpen waarom ze altijd alleen aan de kantinetafel zat. Haar borsten waren drie keer zo groot als die van het klasgenootje met het best gevulde roze behaatje. Het meisjesgegiechel tijdens het volleyballen klonk als satansgelach. In het zwembad was het gejoel minstens zo kwetsend als het stiekeme geloer. Ze was vijftien toen ze op weg naar huis van zwemles door twee onbekende jongens van haar fiets getrokken werd. Ze wilden 'even lekker voelen'.
Het meisje kocht een coltrui en knipte haar haren kort. Ze verfde het groen. Met enkel nog haar dagboek dat ze vertrouwde, nam ze een neuspiercing en stopte met het maken van huiswerk. Dolend door de stad beloofden drie jongens in bontjas haar te helpen. In plaats van vriendschap en vertrouwen gaven ze haar drank en drugs.  
Sterk was ze ook, dat meisje. Toen ze eenmaal snapte dat haar toekomst in haar eigen handen lag, rechtte ze haar rug. Studeren zou ze, in een grote stad waar niemand haar kende. Ze had haar propedeuse net gehaald toen de twee nieuwe vrienden haar niet zoals beloofd veilig thuis afzetten maar haar in een steegje als een lappenpop achterlieten.
Niemand zal mij nog kwetsen, dacht ze, en ze kleurde haar haren opnieuw. Dit keer diepzwart. Haar neuspiercing gleed met behulp van een warme speld nog makkelijk door het originele gaatje. Het dunne ringetje werd vervangen door een versiersel in de vorm van de slang die Eva in het paradijs had verleid. De lange, leren jas die tot aan de grond kwam, bedekte haar lichaam volledig. Niemand zou nog zien wat eronder zat. Geen enkele man zou nog aanstoot nemen aan haar. Schichtig liep ze door de straten in haar soldatenkistjes, haar hoofd gebogen, haar lippen strak.
En weer waren ze daar. De opgeschoten jongens.
'Vuile gothic', riepen ze. 'We zullen die piercings eens even uit je smoel raggen. Kleed je toch normaal. Freak!' Ze voelde de eerste beuk in haar gezicht. Een harde duw. Straatvuil dat prikte in haar handen. Mascara vlekte over haar wangen toen ze wilde opkrabbelen en een harde stomp in haar buik haar de adem benam. Een nog hardere klap in haar gezicht, haar handen beschermend voor haar ogen. De slang werd afgepakt en in een put gegooid. Het was in de modder op straat dat ze besefte dat ze nooit meer het gewone, aardige meisje kon worden dat ze altijd had willen zijn.

 

dinsdag 4 juni 2013

het recht van de sterkste

Hoe wonderlijk ook: afgelopen weekend scheen de zon een paar uur. Heel magertjes, dat wel, maar voor de verandering was er eens een keer meer zon dan regen.
Ik lag op mijn rug in de tuin en fantaseerde dat ik mijn bikini droeg. Ik dacht aan barbecuevlees, tijdschriften vol zonnebrandvlekken en ijsjes. Ik likte mijn lippen en rolde op mijn buik. Daar zag ik hem: vechtend voor zijn leven was een vlieg bezig te verdrinken in het vogeldrinkbad. Hij leefde nog; zijn vleugels trilden, en ondanks dat ze doorweekt waren, vocht hij voor het vege lijf.
Hij moest wel: er wachtte nog een heel gezin op zijn terugkeer. Vogelnesten vereisten inspectie, hij zou met vrouwlief boodschappen doen, en de hondenbolus op de hoek van de straat hield morgen uitverkoop. Druk fladderend probeerde hij uit het water te ontsnappen, maar hij schoot geen millimeter op. Met steeds grotere tussenpozen trilden de zilveren vliesjes op zijn rug. Ragdunne zwarte pootjes crawlden heldhaftig. Karmanie to the rescue, dacht ik, en ik stak mijn vinger uit en viste Vlieg uit het koude water. Het kostte me een paar pogingen. Iedere keer dat ik mijn vinger in het water doopte, golfde het en sloeg mijn drenkeling alle kanten op. Uiteindelijk dreef hij meer dood dan levend in de grote meegekomen druppel op mijn vingertop. Ik liet hem uitlekken op de rug van mijn andere hand. Met de punt van mijn T-shirt zoog ik het overschot aan water weg. Vliegmans begon te tijgeren; dapper richtte hij zijn bovenlijf op. Uitgeput en krachteloos staakte hij zijn poging al snel.. Als een drenkeling stortte hij in op mijn veilige roze strand. Daar liet ik hem liggen, en ik blies over zijn vleugeltjes zodat ze konden drogen.

Ik bemoederde hem, sprak hem toe, en stelde me voor hoe zijn ieniemienietongetje van ellende uit de bek hing. Na een dikke vijf minuten transformeerde het ragfijne lijf van een kattenbrokje naar iets wat op een vlieg leek. Ik wist dat ik hem los moest laten voordat we ons aan elkaar zouden hechten.
Ik knikte van de hosta met frisse groene bladeren naar Vlieg, bracht mijn hand boven een van de mooiste stukjes en kromde mijn vinger. Vlieg begreep het en klauterde omlaag. Stoer en vief was hij nog niet, maar kruipen ging nu prima. Af en toe probeerde hij zijn vleugels uit te schudden. De toppen waren al droog en schoven opgewonden over elkaar. Nog even, dan blies de wind het laatste vocht eruit. Stil keek hij vooruit. Even bekroop me het idee dat hij oogcontact probeerde te maken. Zag ik daar een glimp van ontroering in zijn ogen? Ik glimlachte naar hem.
Voorzichtig kroop hij over het grote hostablad en tilde behoedzaam zijn poten op. Vanonder een blad stortte Godzillaspin zich vanuit het niets op Vlieg, spoot hem vol met verlammend gif en zoog hem gulzig leeg. Ik zie nog steeds zijn vragende oogjes voor me. Niets kon ik nog doen. Voor ik het wist lag hij op zijn rug, zijn pootjes gekromd. Met vertroebeld zicht keek ik ernaar en draaide me verslagen om. Ik hoefde geen barbecue of ijs meer. Ik ging naar binnen. Die afschuwelijke, kloterige rotzon ook.

woensdag 29 mei 2013

dokter bibber

Iedereen die mij wat beter kent, weet dat ik stiekem een gespikkelde chocoladereep ben. Smeerbruin van binnen door alle gesmolten Milka-repen en aan de buitenkant een vel dat model heeft gestaan voor het Ikea-gordijn "stippöl". Bijna vierhonderdvijftig moedervlekken telde een overijverig vriendje ooit. Af en toe moet ik ervoor naar ziekenhuis of huisarts en worden de verdachte vlekken verwijderd en gecontroleerd.
Laatst was het weer zover. Ik had last van twee bobbelende mØedervleökken en de afgelopen jaren waren er ook twee heel geniepig van vorm veranderd. Onder het mom van "dat is persoonlijker" wilde mijn huisarts me deze keer zelf opereren. Braaf maakte ik een afspraak en wachtte de bewuste dag in de spreekkamer. "Zo," zette ze me voor het blok in de behandelkamer; het mes al in haar hand. "Ik verwijder er twee. Als je er zoals afgesproken vier weg wilt hebben kan dat nu best, maar dan declareer ik dubbel. Ik schrijf dan twee facturen, voor zogenaamd twee verschillende dagen."

De krantenkoppen schreeuwen: miljoenenfraude in de gezondheidszorg. Ziekenhuizen schrijven belazernota's voor het verwijderen van oorsmeer en hopsakee: duizend euri verdiend met een kwartiertje werk. Hier met de poen. Ook het PGB-budget ligt onder vuur. Behoeftigen beknibbelen vrekkig op de inkoop van persoonlijke zorg en rijden en masse naar MediaMarkt voor de nieuwste flatscreen. Als kers op het toetje het nieuws dat ik per jaar tweehonderd euro premie teveel betaal om "wanbetalers te compenseren." Medische zorg is een recht, dus de kosten van premieweigeraars worden verhaald bij ons: sufsukkels eerste klas. Door de graaiende ziekenhuizen en de premieweigeraars, betalen we per persoon 500 euro teveel voor onze medische verzekeringen: per gezin een vakantie.
De ziektekostenverzekeraars zwijgen. Verzekeraar CZ vervijfvoudigde in 2012 haar winst en hield meer dan een half miljard (!) euro schoon in het handje. Daar kon wel een directiebonus vanaf.


Ik kreeg van mijn arts de keuze tussen de helft van mijn lastpakken gecontroleerd, of meewerken aan fraude. Een nieuwe afspraak maken voor de andere twee moedervlekken zou immers weken duren en me weer een vrije ochtend kosten. Ik koos eieren voor mijn geld. Met buikpijn, dat wel.
Met de post kwamen de facturen. De ingreep is verspreid over twee consulten. Twee keer een eigen bijdrage voor mij; samen met de vijfhonderd euro die me al is afgetroggeld. Boos staar ik naar mijn computerscherm. De e-mail is getypt en op spelfouten gecontroleerd. Iedere keer dat ik mijn brief lees, word ik alleen maar bozer. Ik voel me de laatst overlevende eerlijkosauriër. Het toetsenbord wacht geduldig op mijn vinger, die klaar is om de verzendtoets in te drukken en mijn huisarts te rapporteren. Mijn vertrouwenspersoon. Degene die ik ooit misschien nog hard nodig heb.
Ik klik het laptopscherm dicht. Het is tijd voor een paar klappen tegen mijn boksbal en daarna een kop rustgevende Zen-thee met veel Milka-chocola. Moeizaam slik ik de brok in mijn keel weg. De testuitslagen waren gelukkig in orde, maar ik voel me toch een beetje de pinöt.

woensdag 22 mei 2013

wij horen bij elkaar

Ze zitten een tafeltje verderop. De man in de spencer en de vrouw met het hennahaar. Het model hoort kort te zijn, maar is al lang niet meer geknipt: de grijze streep op haar kruin wint terrein. Haar zure gezicht maakt het er niet beter op. Ze dragen dezelfde ringen: dikke, gouden bewijsexemplaren. "Jij bent van mij," schreeuwen die, "Wij horen bij elkaar." Ik glimlach hun richting op. Hij kijkt stoïcijns voor zich uit en tikt met zijn vingers op de veel te grote ribbroek. Zij draait haar gezicht naar het vaasje op tafel. Een van de twee rozen is geknakt.
Als de serveerster de schnitzel met champignonsaus brengt, wijzen vork en mes al in hun knuisten naar boven. "Pas op, de borden zijn warm," waarschuwt het meisje. Ook zij wordt genegeerd. Links en rechts zaagt het bestek al door de platte lap vlees. Met plaatsvervangende schaamte knipoog ik naar haar op het moment dat ze de diendoek in haar schortje stopt.
Een andere serveerster volgt met schaaltjes garnituur. Het vlees is al voor de helft aangevreten, een crèmekleurige druppel ontsiert de kin van de man. Zijn vrouw ziet het en zwijgt. Uitdrukkingsloos kijken ze voor zich, ieder een andere kant op. Schrokkend stampen ze de vleesbrokken aan met een volgende hap. Twee keer kauwen en slikken. Patatslierten schuiven van links naar rechts, worden weggespoeld met slokken bier.


Al die tijd is er geen woord gewisseld. Wanneer hun lege borden en de onaangeraakte groenteschaal opgehaald zijn, zwijgen ze nog steeds. "Twee koffie," onderbreekt de man het meisje dat vraagt of ze de dessertkaart mag brengen. Hij leegt haastig zijn bierglas. Gulzig. Dan valt zijn blik op mij; holle ogen die aan niets lijken te denken. Het is alsof hij dwars door me heenkijkt. Snel bestudeer ik mijn tafellaken, wensend dat er iemand tegenover mij zat met wie ik kon praten. Pas als zijn koffielepeltje het porselein aantikt, durf ik weer te gluren. Onderuitgezakt spiedt hij rond. Bijna onzichtbaar lift hij zijn linkerbil een stukje, kijkt schaapachtig naar buiten en blaast uit. Zijn opluchting verraadt wat hij deed. Zij rommelt intussen in haar witlederen handtas op haar schoot, schuift de suikerzakjes van de schoteltjes erin, stift haar lippen. Twee tafels verderop lacht een kind. Ze besteedt er geen aandacht aan. Verveeld peutert ze met een vinger in haar oor. Manlief is druk in de weer met een tandenstoker.

De voorstelling eindigt voor mij. Hij staat op en grijpt zijn portefeuille uit zijn broekzak. Snel ritst ze haar tas dicht en wurmt zich in haar vest. De lange tricot lap wappert om haar heen als hij al bij de kassa staat en afrekent.
Ik ben klaar met eten, besef dat ik te lang heb doorgekauwd om niets te missen. Met mijn handen beschermend om mijn buik zie ik dat de buitendeur wordt opengegooid. Samen lopen ze de parkeerplaats op, zijn hand verstrengeld in de hare. 

woensdag 15 mei 2013

Piaggio

Hoofdschuddend staar ik naar mijn beeldscherm. Hoe is het mogelijk. Een vrouw van halverwege de twintig blogt dat ze haar nieuwe baan heeft opgezegd omdat "er te weinig uitdaging in zat". Ze heeft het twee weken geprobeerd. Onderaan vraagt ze de lezers om leuke, parttime vacatures. "Graag met veel persoonlijke ontwikkeling in een bedrijf met een platte managementstructuur". Ook zoekt ze "een fijne werksfeer waar soms tijd is voor een geintje". Ik bonk met mijn hoofd op mijn bureau, net zolang tot ik een brom hoor.

Het is door die zoemende brom dat ik mezelf zie op dezelfde leeftijd als deze recessieontkennende dromerella. Vers van school werkte ik als uitzendkracht bij scooterproducent Piaggio. Daar zochten ze een vervanger van de vervanger van de telefoniste en het was het enige baantje waar ik welkom was zonder werkervaring. Mijn werkplek besloeg een vierkante meter. Precies groot genoeg voor een stoel en een tafeltje voor de enveloppen die ik met folders moest vullen als de telefoon zweeg.
Wat was ik blij met mijn kantoorbaan. Opgedoft begroette ik iedere dag mijn collega's die besmuikt knikkend hun kantoren indoken. Praten met een tijdelijke kracht was tijdverspilling.
Een kerstpakket kreeg ik niet, maar ik mocht wel een maand langer blijven. Nog nasmeulend van het goede nieuws lepelde ik in mijn eentje mijn tupperwaredoosje met koude macaroni leeg, toen hij aanschoof. Of Tilburg een leuke stad was, vroeg hij in het Engels: de Italiaanse bezoeker van die dag. Hij zocht een huis voor zijn gezin en zichzelf omdat hij een half jaar in Tilburg wilde wonen. Iets anders dan een kleine flat in een volksbuurt wist ik niet, maar Engels sprak ik prima. Ik vertelde hem over Tilburgs beste Italiaanse ijssalon, het dialect van mijn collega's en hoe je jenever dronk.
Diezelfde avond reed ik hem rond in mijn doorgeroeste Polo. In ruil voor informatie over makelaars, goede woonwijken en Nederland, trakteerde hij op een etentje. Om één uur 's nachts overschreeuwden we Guus Meeuwis in café Vagant en leerde ik hem alles over Bols en Schrobbelèr.
De volgende dag was hij vertrokken en werd ik gepromoveerd tot assistent-directiesecretaresse.
Giancarlo bleek dé directeur van Piaggio Europa en kwam in Tilburg de divisie Benelux uitbreiden. Na een maand zag ik hem weer, op de eerste personeelsborrel waar ik als zijn assistente ineens wel welkom was. Niemand begreep hoe het kwam dat zijn vrouw me de oren van het hoofd kletste en zo hartelijk tegen mij was. Een half jaar later vertrok hij weer, en ik solliciteerde bij Het Land van Ooit.

'Je bent nooit te oud om te leren,' hoor ik weleens, en die wijsheid wens ik het bloggende meisje ook toe. Ik ben haar in ieder geval ontzettend dankbaar. Het is door haar arrogantie dat ik Giancarlo terugvond op Google. 'Wat een verrassing na al die jaren,' schrijft hij als antwoord op mijn mail. Hij is nu directeur van Piaggio Amerika, maar eind juni is hij een paar dagen in Nederland. Of ze in Arnhem ook Schrobbelèr hebben?

woensdag 8 mei 2013

dikke vrouw gezocht


 
Ik heb er dus een. Zo'n man die geen prater is. Een volwassen vent die dichtslaat bij de vraag "waar denk je aan?" Die horendol wordt van gebabbel op verjaardagsfeestjes. Zo iemand die alleen naar het ziekenhuis gaat als hij geopereerd moet worden, omdat -ie geen zin heeft in "hysterie". Een èchte man, maar wel met het syndroom van 'come-to-the-point-or-just-keep-your-mouth-shut'.
Uitsterven zullen ze nooit, mannen zonder kletsknop; ze bevinden zich zelfs tussen getrouwde kerels met superleuke vrouwen. Niet dat ik denk dat ik dat ben, superleuk, maar ik kan er best mee door. Op goede dagen dan.
Voor mijn man zwijg ik dus vaker dan me lief is. Na een dagje winkelen met vriendinnen krijg ik vijf minuten spreektijd. Het boodschappenlijstje interesseert hem niet. Een samenvatting van een vergadering of pantystrooptocht moet in twee minuten.
Soms vraag ik me wel eens af of ik hem nog boei. Of hij mijn verhalen wel interessant vindt. Het resultaat hiervan is, dat ik al jarenlang verschrikkelijk mijn best doe om er weergaloos en oogverblindend mooi uit te zien. De betere kant van mezelf, zeg maar. Okselfris, tot in de puntjes gekapt en iedere dag weer verrassend anders; sexy en klassiek tegelijkertijd. Precies zoals hij het wil. Op dagen dat ik denk dat hij afkeurend naar mijn billen kijkt, leg ik de chocola weer terug in de kast en knabbel aan een wortel. Soms denk ik wel eens dat zijn ongeduld een geheime truc is om mij nog beter mijn best te laten doen.


Zwijgend lees ik de zaterdagkrant. Mijn adem stokt en mijn ogen tranen als ik de kleine advertentie zie. Het staat er echt: Lieve man zoekt dikke vrouw om eindeloos in elkaars armen te kletsen. Bijna hyperventileer ik. Dit moet hem zijn, mijn droomman. Iemand die me naar zich toe trekt en elke centimeter van mijn huid overlaadt met kusjes, bij elk kusje een complimentje fluisterend. Een man die naast me blijft zitten en "geweldig!" roept als ik honderduit klets over het nieuwe boek van Heleen, mezelf volproppend met winegums en moorkoppen.
Ik knip het oproepje uit en leg het strookje naast me. Een paar dagen lang kijk ik er verlekkerd naar. Zal ik het doen? Bij ieder zuchtje wind in de kamer, wipt het papiertje iets omhoog, alsof de lieve zoekende man me eraan herinnert hem snel te schrijven. "Ik wacht op je, Karmanie."
"Wat is dat voor een pakje boter?" buldert mijn lief als hij het knipsel van tafel trekt. Het krantenpapier scheurt tussen de kracht van zijn vingers. "Is dit een feeder ofzo? Iemand die vrouwen volstopt zodat ze hem niet verlaten? Kletsen? In elkaars armen nog wel?" Ik heb hem nog nooit zo'n lange monoloog horen uitspreken.
Hij zwaait zijn vinger dreigend naar mij. Hij is nog niet klaar. "Alsof ik een beetje suf op de bank ga liggen ouwehoeren met jou. Kom, we gaan spare ribs eten, zonder bestek en met veel knoflook. Ik trakteer."
Ik weet niet hoe snel ik mijn jas moet aantrekken.

woensdag 1 mei 2013

thank God I'm a woman

Máxima zal het vast herkennen; de vrouwelijke noodzaak jezelf een paar keer per dag te verkleden. Met als hoogtepunt Koningsdag, zag ik haar al vaker in meerdere outfits op één dag.
Als man is het zaak om niet te licht te denken over de inspanningen die het dames kost om er iedere dag weer verfrissend en geweldig uit te zien. Dit is een jarenlang investeringsproces van bloed, zweet en tranen! Succes betekent hard werken.


Zelfs iets ogenschijnlijk ultra-simpels als het kopen van een panty vereist jarenlange pas-sessies. Je zou er gek van worden. Ieder warenhuis en ieder merk voert andere maten. De ene maat L is de andere niet! Zelfs de term “huidskleur” stuit op problemen. Kies ik nude, hazel, caramel, skin, tendresse, caresse of natural? Neem ik acht, vijftien, twintig  of zestig denier? Of toch veertig? Daarna komen de dilemma’s over wel of geen ingezoomd kruis, te knellende taillebanden en versterkte tenen. Want wat als je grote teen al bij het passen door het nylon prikt? Een nieuwe panty kost bakken vol energie. Soms moet ik er een hele dag de stad voor in.

Mijn klerenkast is mijn levenswerk. Een goed formaat is van groot belang. Hier weet zelfs kroonprinses Amalia al alles van. Een simpele “extra large” of de Ikea Pax is voor beginnelingen. Een walk-in-closet is “the real thing”. Mijn accessoires en kleding zijn gesorteerd op seizoen, prijs, kleur en levensfase. Dat is het resultaat van vele jaren hard werk. Mijn kast is een tijdmachine die toont wie ik ben. Die mij herinnert aan fases, ex-vriendjes en vriendinnen wiens stijl ik soms klakkeloos overnam. Aan de ruimte die zo'n bepaalde stijl inneemt, kan ik zien hoe serieus de relatie of vriendschap was.

Een of twee keer per jaar delf ik het onderspit en moet ik genoegen nemen met minder dan zes strekkende meter kleding. Als ik op vakantie ga, haalt mijn schat twee koffertjes van zolder. De zijne is zo gepakt. Ik ben wat langer bezig. Eerst leg ik de hoogstnodige kledingsets op bed. Zodra ik mijn toilettas in mijn koffer leg, past er alleen nog een bikini bij. Trillend van paniek wik en weeg ik dan nog een week of twee verder, tot ik na eindeloze passessies, zittend op het deksel, de sloten kan dichtklikken. Boeken, potten appelmoes en zonnebrandcrème heb ik dan al stiekem in de koffer van mijn reisgenoot gefrot.

Eenmaal op weg naar het vliegveld ben ik echt toe aan vakantie. Meestal ben ik zo uitgeput en gefrustreerd van het schiften, dat ik ter plekke een upgrade  boek om bij te komen. Puffend in de vliegtuigstoel met de broodnodige bubbels, fluistert mijn man dan altijd lief: “zie je nou schat, je hebt helemaal niet meer dan een klein koffertje nodig om gelukkig te zijn”. Dan glimlach ik maar, terwijl het zweet van mijn hoofd gutst. Van mijn geheim weet hij niets. Onder mijn rekbare joggingpak draag ik drie lingeriesetjes, zes topjes, drie shorts, een sweatertje en twee leggings. Erover een sjaaltje en een wikkelvestje voor de leuk. Je bent een vrouw of niet.

dinsdag 23 april 2013

de W van Wilders


'Was will das Weib,' vroeg Sigmund Freud zich af, en dat is precies datgene waar John Ewbank over had moeten nadenken. 'Wat wil het volk?'
Samen met vier buiten schot gebleven tekstmirakels schreef John zijn Koningslied en zelfs de meest ongeletterde gnoom uit Dintelbroekerhoek weet hoe het daarmee is afgelopen. Verguisd en uitgelachen door datzelfde volk en uiteindelijk de geschiedenisboeken ingegaan als het lachertje van de eeuw. Zo hilarisch dat John het liedje uiteindelijk heeft teruggetrokken.
Op zich is er niets mis met het terugnemen van of sorry zeggen voor een geleverde dienst of product. In plaats van zijn poot stijf te houden of een origineler liedje te maken, verzandt Ewie echter in een Facebookbericht vol drama waarin hij afgeeft op de klagers, alsof over smaak te discussiëren valt.
'Ik doe huilie huilie' schreeuwt zijn boodschap. 'Ik ben te hard aangepakt', en, gesteund door wat rugdekking gevende sterretjes: 'Ik word gepest'. Alsof iemand die multimiljonair geworden is enkel kan functioneren op complimenten en niet kan omgaan met kritiek.
De bakker, autodealer en caissière bieden ook wel eens hun excuus aan na een gemaakte fout. Ze maken het goed, buigen hun hoofd, en zwijgen daarover op sociale media. Rug recht, borst vooruit. Je maakt een fout, en hop, je herstelt hem.
Bij Johnnies Koningslied blijft dat vreemd. Rekenen op een hit, je maatpak klaarhangen voor het lintje, en dan uitgespuwd worden door het grote publiek. Het vreemdst van alles vind ik de verongelijkte houding waarmee John ervan uit gaat dat wanneer hij maar hard genoeg zijn best doet, iets automatisch een succes wordt. Alsof iedere schrijver die twee jaar werkt aan een manuscript met open armen wordt ontvangen door de uitgevers. Of dat iemand die weken ploetert op het beste ijsrecept de titel "ijscoman 2013" verdient. Als vanzelfsprekend rekenen op de hoogste omzetcijfers omdat je de meest gemotiveerde, hardwerkende verkoper in je team bent. Was het maar waar! Dan zou ik inmiddels bestsellerauteur zijn (waarom heet dit eigenlijk geen autrice?) en Geert Wilders minister-president.


Geert. Bejubeld en verguisd. Alles kun je van hem zeggen, maar niet dat hij op Twitter baby'tjes uitscheldt voor naakthond of dat hij zich heeft teruggetrokken na alle kritiek op zijn persoon en functioneren. Hij heeft zich niet laten voorstaan op vrienden die in roddelkrant De Telegraaf meemekkeren over het grote onrecht dat hij heeft gekend. Nooit heeft hij zijn partij teruggetrokken omdat het merendeel van het Nederlandse volk zijn sonnetten en programma's geen nummer 1 hit vindt. Zelfs niet toen ene Sylvia Witteman of Nico Dijkshoorn gemene dingen over hem schreven. En heeft onze blonde krielkuif er niet voor gezorgd dat ons andere culturele erfgoed, de Dikke Van Dale, werd opgesierd met woorden als demoniseren, bedrijfspoedel en tuigdorp?
Ik zeg: John, ruik deze kans! Maak nieuwe vrienden in onverwachte hoek. Hup, vlieg je studio in. Daar sta je dan. Ieder mens heeft een taak in dit leven. Hier kunnen prachtige dingen gemaakt worden. Historie geschreven. Drie vingers in de lucht, voor de 'W' van Wilders.

dinsdag 16 april 2013

schildpadschild

Tussen Den Bosch en Arnhem word ik ingehaald door een zilveren Mercedes SL 500 met Duits kenteken. Op mijn teller staan een sportieve 130 kilometer per uur. Ik wieg ritmisch op de muziek als tot me doordringt wat ik zag. Een zilveren flits. Verchroomde velgen. Een vadsige man, rond de zestig, zijn haar vol brillantine, in een blouse van spijkerstof. Een enorm harig beest op zijn schoot, het bruine vel gebogen, zijn hand er beschermend overheen. En voorbij is hij. Een stipje.

Een nieuw liedje fladdert uit mijn cd-speler. There is a moon over Bourbon Street. Eerst zacht maar steeds harder. De wassende maan, maar dan versneld. Vloeiend. Mijn schouders wiegen weer.  
Links en rechts duiken borden op met een snelheidsbeperking. Ik mag nog maar honderd. Kinderachtig weiger ik af te remmen, net als de rest van de automobilisten die weten dat de camera’s verwijderd zijn. De Duitser weet het niet. Zijn zilveren kofferbak wordt weer groter. De velgen lijken achteruit te draaien als ik hem passeer, mijn knipperlicht tikkend op de maat van de muziek. She's innocent and young from a family of means.
En dan zie ik haar, vanuit het niets, naast hem in de passagiersstoel. Slavisch uiterlijk, opgestoken roodblond haar. Te grote lippen. Te grote borsten. Ze veegt met een zakdoekje over haar kin. De oude man in zijn spijkerblouse kijkt stoïcijns voor zich uit. I have stood many times outside her window at night.
Ik stel me voor dat hij denkt aan zijn vrouw. Aan zijn appartement in Spanje. De nieuwe plasma flatscreen voor in de huisbioscoop. De Wiener Schnitzel van vanavond. Mit pommes.
Ik schat haar amper twintig, maar haar ogen staren vooruit, dof, met de blik van een oude en verslagen vrouw. Ik stel me voor dat zij denkt aan haar kind thuis in Moldavië. Aan zijn onwetendheid. Zijn zachte krullen. Aan haar moeder die hem wast. Aan het dak dat door vandaag gerepareerd kan worden.


Ze frommelt het zakdoekje op als ik mijn blik afwend. Tien minuten later tiktakt mijn licht weer, me begeleidend naar de uitvoegstrook. Ik ben bijna thuis. Zou er nog chocomel zijn? Ik trek de cd uit de speler en stop hem terug in het doosje. The dream of the blue turtles, staat erop. De droom van de blauwe schildpadden. Hoe poëtisch voor een solodebuut. En ik denk aan het meisje die haar debuut waarschijnlijk al lang geleden maakte maar nog steeds soleert. Een twintigjarig, roodblond meisje vol dromen die niet zullen gaan over zestigplusmannen met plakhaar. Een doodgewoon meisje van twintig jaar in een bontjas.

woensdag 10 april 2013

spenderen


Af en toe hoor ik het woord weer ergens opduiken, alhoewel ik het ook wel eens lees: spenderen. ‘Hoeveel spendeer jij aan uit eten?’. Of ‘hoeveel tijd spenderen kinderen aan gamen?’
Spenderen. Ik moet er altijd een beetje om lachen. Net als ik nu nog moet glimlachen om het briefje dat ene Paul uit Enschede mij lang geleden in handen drukte op het campingspeelveldje. Hoi Eveline, stond erop, met de hanenpoten van een jongen van elf. Wil jij met mij corresponderen? Ik was acht jaar en weigerde. Een penvriendje wilde ik dolgraag, maar corresponderen gebeurde vast achter het schuurtje bij de kippenren waar hij ik hem ‘s avonds vaak met zijn vriendjes zag.
Veel tijd heb ik dus niet meer aan Paul gespendeerd.
Ik hoor het woord spenderen regelmatig bij zogenaamde kakkers die steevast klinkers verbasteren. Meestal degenen in een vervaarlijke rode broek of met een choker om de hals. Ze hebben het dan over heaumeau in plaats van homo en over heure majesteit, besmuikt lachend omdat ze vinden dat dit voor hun seurt zo heurt.

Vandaag de dag is spenderen een verouderd woord. Net als pandoer, schobbejak, rekel, addergebroed en schavuit, nu we het toch over de rode-broeken-gang hebben.
Maar waar komt het woord vandaan? Of beter voor mij, hoe komen we er vanaf? De Denen bijvoorbeeld, gebruiken “give ud” als ze spenderen bedoelen. Dat vind ik toch lekkerder bekken, meer als give it to me. Turken zeggen “harcama” (harken maar, zegt de ontvanger), en in Polen gebruiken ze het woord “wydawać”: omdat uitgegeven geld gewoon wiedewietsch is.

Zelf heb ik bedacht dat het woord wellicht nog te verklaren is als anglicisme: een uit het Engels overgenomen woord of constructie. Anglicismes worden veel gebruikt, ook door mensen zonder opstaand polokraagje of choker, en zijn veelal ingesleten. Zeggen dat je alarm afging als je het over je wekker hebt, of een personage in een boek een karakter noemen zijn twee prachtige voorbeelden. Zelfs de bekende termen “hij heeft een punt” en “het zit in de pijplijn” zijn eigenlijk vertaalde Engelse uitdrukkingen. Als ik daarop voortborduur, zou het woord spenderen misschien van het Engelse “to spend” (uitgeven) kunnen komen, want geld opmaken is universeel en van alle jaren.
Maar voordat dit uitmondt in een te lang verhaal of erger, de bekende discussie over de kip en het ei (het woord spenderen staat immers al in een woordenboek uit 1864), hou ik er maar over op. Laten we gewoon afspreken dat we het woord een beetje links laten liggen en overgaan tot de orde van de dag. Want eerlijk is eerlijk, hoeveel tijd spendeert u eigenlijk aan het lezen van een beetje column?

woensdag 3 april 2013

misschien nooit meer

 

Maart 2004
Ik zit midden in een scheiding en hij aan het begin daarvan als we elkaar op een chatbox vinden. Via het anonieme internet storten we onze harten bij elkaar uit. Hij, vader van drie en vol schuldgevoel, en ik, verdrietig, teleurgesteld, eenzaam. Lappen tekst vliegen de ether door. Onbekenden die elkaar met woorden warmen, troosten zelfs, als een begripvolle hond die altijd als vanzelf lijkt aan te voelen wanneer hij nodig is en precies op die momenten zijn warme hondenkop in je schoot legt.
Ik woon alleen als hij me regelmatig opbelt, maar die ene keer na middernacht klinkt zijn stem anders. Ik hoor het meteen. Doelloos rijdt hij rond, zijn koffer reusachtig op de achterbank.
Het is de eerste keer dat ik hem zie. We praten. Ik in mijn pyjama, hij betraand. Zijn adem blaast hortend over de warme thee wanneer hij zich realiseert dat ook hij binnenkort alleenstaand is.
Een relatie is te vroeg voor ons. Eerst wil hij de scheiding rond, rust in zijn hoofd, een huis waar hij zijn kinderen kan ontvangen. Hij is de eerste die ik schrijf wanneer een onschuldig etentje met iemand anders uitmondt in een prille verkering en hij laat me gaan, niet genoeg kracht verzameld om te sabelen om mijn verliefde hart. En hij is ook de eerste die ik tweeënhalf jaar later schrijf als ik weer alleen woon, mijn wonden likkend.
Tijdens onze tweede ontmoeting praten we over onze nieuwe levens, onze geheimen, zijn kinderen, en ik voel zijn twijfel en mijn angsten die samen als likkende vlammen in onze droge, beschadigde zielen oplaaien. Hij start een eigen bedrijf. Ik vind een nieuwe woning.
De Karmaniefoon, het mobieltje dat hij altijd bij zich droeg en waarvan ik als enige het nummer had, het nummer dat ik altijd kon bellen, verdwijnt in een la. Verouderd, haperend en vooral verstild.

Maart 2012
Een nieuw berichtje pingt in mijn postvak. Ik denk ook nog vaak aan jou, lees ik. Het is het antwoord op mijn mail aan hem van precies een jaar geleden. Tranen wellen op, en ik knipper met mijn ogen. Net zolang als nodig is om zowel het prikkende vocht als het samenknijpen van mijn hart te stoppen. Het kan niet. Het mag niet. Nieuwe levens zijn gestart, andere keuzes gemaakt en rafels afgewerkt. We zullen elkaar voorlopig niet zien. Misschien wel nooit meer.
Ik wrijf over het plekje in mijn nek waar hij me ooit gedag kuste en weet dat hij, iedere keer dat ik mezelf daar zachtjes streel, in gedachten bij me is.