woensdag 19 september 2012

monsterlijk


“Conny Palmen,” briest hij. “Dat vind ik toch zo’n kutwijf!” Hij zwaait zijn wijsvinger vlak voor mijn neus op en neer. “Wat een snobistische kakdrol is dat zeg!”. Ik ben op een culturele dag voor schrijvers en geïnteresseerden. In de tweede pauze komt het magere mannetje vanuit het niets naast me staan en stelt zichzelf voor als “Nederlands toekomstige bestsellerauteur”. Op zijn koffieschoteltje ligt in een bruin plasje een half aangevreten boterham. Een tweede bungelt in het boterhamzakje dat hij deels achter zijn broekriem heeft gestoken. Zal ik hem vertellen dat het woord kakdrol een pleonasme is? Ik houd wijs mijn mond.

“Echt! Die Palmmuts is me toch een parrevu!”. Ik raad dat hij het woord parvenu bedoelt, maar zeg weer niets, misschien gaat hij dan wel weg. “Iedereen schrijft waardeloos, behalve zij!”. De vinger draait nu richting het podium waar Conny zo geïnterviewd zal worden.
Zijn handpalm poetst het zweet van zijn hoofd, dezelfde beweging alsof hij zonnecrème smeert. In een vlugge beweging wrijft hij zijn vingers vervolgens over zijn broek en knielt voor een canvas rugzak.

“Kijk! Dit is pas een boek!”. Het statafeltje wiebelt als hij de bundel neerlegt. “Het verhaal van de toekomst. Ik heb het al naar zes uitgevers gestuurd, binnenkort stromen de aanbiedingen binnen.” Om hem niet voor het hoofd te stoten, til ik het boek op. Het is zelfgemaakt, via een website waar je tegen betaling boeken per stuk kunt laten afdrukken. Stroperige bloedletters besmeuren de kaft. De Sporken komen!, lees ik. Uit beleefdheid vraag ik de man waarover het gaat. Al na de eerste zin over driepotige ruimtemonsters die met zuignappen huisdieren ontvoeren, spieden mijn ogen door de zaal. Overal staan groepjes mensen te lachen met elkaar, geïnteresseerd. Ze roeren hun thee of wijzen naar de poster met daarop het middagprogramma.
“Luister je wel? Ik vertelde net over die gnoom die de hondenvachten heeft gestolen!” Zijn gezicht houdt hij nog geen vijftien centimeter van me af. In de hoekjes van zijn mond hebben zich schuimbelletjes gevormd. Dan valt mijn oog op zijn T-shirt, dat als een lap om zijn iele schouders valt. Er staat een paars monster op dat in zijn bek een aangevreten konijn klemt.“Leuk he?,” ziet hij me kijken. “Ik heb al een hele merchandise-lijn van de Sporken bedacht. Dit wordt groots.”

Leon Verdonschot loopt vriendelijk knikkend vanuit de centrale hal terug naar het podium. Overal draaien gezichten zich om. “Het gaat weer verder,” knik ik naar de mensenkudde die roezemoezend in beweging komt. De man grijpt zijn rugzak en trekt het boek uit mijn handen. Het boterhammenzakje met het overgebleven volkorensneetje valt op de grond. “Ik vertel jou de rest straks nog uitgebreid. Eerst Conny!” Hij rukt zich weg en werkt zich door de mensensliert naar de tribune. Net voor hij naar binnen wil stappen, draait hij zich abrupt om. Met gefronste wenkbrauwen richt hij zijn ogen vragend op mij. Ik wijs met mijn vinger richting toiletten, mijn linkerhand stevig geklemd om mijn autosleutel.
Roermond, 9 september 2012 (schrijf, schrijver, schrijfst)

dinsdag 11 september 2012

struisvogelpolitiek

Mijn moeder stemt op Emile Roemer omdat hij uit Boxmeer komt. Zelf woont ze een dorpje verder. “Het is zo’n aardige man”, zegt ze. “Zijn vrouw is ook een schatje. Werkt hier in het zorgcentrum”. Wanneer ik doorvraag over haar motivatie knippert ze met haar ogen. “Pfff, daar vraag je me wat. Motivatie? Dat is toch dat je nog zin hebt in je werk?”

Haar zus stemt CDA. Niet omdat ze weet wie meneer Buma is. Nee, opa stemde al op het CDA. Dan is het goed. Hoe minder er verandert, hoe liever.

Na de storm om flirtvlegel Wouter Bos (“het is zo’n lekker ding”) hoopte ik eerlijk gezegd op wat diepgang en ontwikkeling voor onze toekomst in mijn omgeving. Dat bleek voor niets: partijprogramma’s gaan ongelezen in de houtkachel, digitale stemwijzers zijn overbodige internetsnufjes. Mijn vader fronst zijn wenkbrauwen als ik hem vraag hoe hij denkt over de dreiging voor ondernemers die net het hoofd boven water kunnen houden. “Vertel eens meisje, hoe gaat het op je werk?”
We eten worteltjes die in de schaal al uit elkaar brokkelen, want dat is makkelijker prakken. Daarbij appelmoes van valappels, gekookte aardappels en voor elk een schnitzel van 20 vierkante centimeter. “Ben jij trouwens nog steeds met die biologische geldklopperij bezig?”, vraagt mijn moeder als ze ongevraagd romige jus op mijn bord schept. “Kip is kip hoor”. Achter mijn rug wordt een actualiteitenprogramma weg gezapt voor het weerbericht. Het sportkatern dat op de bank slingert, vangt de afstandbediening op. Het eerste stuk van de krant omarmt het bruinoranje wortelschraapsel in de prullenbak. Een abonnement neem je voor de strips en de sportbijlagen: “verder staat er toch alleen maar ellende in”. Nog voor mijn bord leeg is, worden de yoghurtschaaltjes op tafel gezet. “Eet eens door lieverd, dan is de afwas weg voor Lingo begint”.

Het boerenbontservies glijdt in het afwaswater. Ik laat het er niet bij zitten. “Zeg mam, heeft u het partijprogramma gelezen? Jullie hebben toch vast ook een mening over Brussel?”. Ik had beter moeten weten. “De vleesplank moet hier”, schommelt ze achter me langs. Als ze hem wegschuift, knoopt ze haar schort open. De strik valt omlaag bij het vullen van de fluitketel. “Emile komt hier uit de buurt en dat is ons soort mensen. Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg. Al die gekke maatpakken en Haagse “sjiekdeunereej”.
Het woord recessie kent ze wel. Ze hoort het regelmatig bij het klaverjassen waar het een hip woord is voor mensen van boven de rivieren en uit de Randstad. “Je hoeft niet te denken dat ik dom ben hoor. In de Libelle staat ook wel eens een boekrecessie”. In het kleine dorpje van mijn ouders komen uitkering en pensioen iedere maand gewoon binnen. Groente wordt uit de tuin geplukt, haardhout ritselt de boswachter. Plantenstekjes worden geruild voor gelezen romans en rijst met kaneel en suiker is net zo lekker als al die gekdoenerij van de Chinees. “Wij hebben er geen vakantie minder om”. Ineens heb ik haar volledige aandacht. “Ik snap het best hoor meisje. Alles gaat prima zolang de uitkeringen maar niet omlaag gaan. En daarvoor moeten we toch SP stemmen? Dan doen we het toch goed zo?”

(Dit stukje is geschreven met medeweten van mijn moeder.)

dinsdag 4 september 2012

Volvo-Eikels


Mijn beste vriendin is gisteren aangereden. Zij remde tijdig voor een file; de man achter haar niet.

Als een vogeltje ligt ze thuis op de bank, haar ogen half dicht. Haar gezicht is opgezwollen en ondanks de dikke fleece-trui rilt ze. Midden in het verhaal is ze ineens de draad kwijt. Een traan biggelt over haar wang; niets krijgt haar hoofdpijn weg. “Een Volvo”, fluistert ze. “Het was weer eens een kutvolvo.” Ze perst er een lachje bij.

In onze inner circle hebben wij een onuitgesproken verbond. Je koopt onder geen beding een Volvo. Je neemt desnoods genoegen met een Toyota Prius of een tiendehandse, gebutste Simca uit het jaar nul, maar een Volvo? Dat nooit. Nog niet voor niks.
Binnen ons geheime syndicaatje staat een Volvo voor rode bermuda’s. Voor gratis geborduurde petjes van golffestijnen. Voor kalfslederen attachékoffertjes en voor managers met Bokito-gedrag en geruite overhemden. De cup-a-soup-manager “John” in optima forma: lawaaierig en gefocust op zichzelf. Volvorijders vinden wij wannabees, verschuilers. Wij praten liever met Mini-fans, Daewoo Matizzers of zelfs Maserati-rijders. Alles is interessant, zolang het maar geen Volvobraller is.

Te vaak zagen wij de glimmende bolides respectloos crossen langs snelheidsbeperkingen of wegwerkzaamheden. Bij files werd standaard aangesloten in de linkerrij. Ontelbare keren werden wij, luidkeels zingend tijdens meidentripjes, door een invoegende Volvo ingehaald. Zielig vonden we hen met een luxer-dan-luxe Volvo zonder het geld voor een handsfree-kit of werkend knipperlicht. Bij herhaling gniffelden wij samen op feestjes om de thuisblijfmoeders die hun  "kids" iedere dag vol vertoon voor school af wilden zetten. “Het is zo’n veilige auto”, krakeelden ze in roze poloshirts met een krokodil erop bij de komkommerhapjes. “Zo veilig, echt. Je zet er zo een tandje bij als het verkeerslicht oranje wordt.”

Sporadisch werden we ingehaald door een Renault Clio of zagen we in de achteruitkijkspiegel de angstaanjagende koplampen van een Fiat Panda. Vanuit het niets zoefden ze met 180 kilometer per uur langs, geïrriteerd remmend voor een Volkswagen Polo: de glimmende Volvo-jongens. Tijdens andere ritjes dook er weer een vervaarlijke grill op in het spiegeltje of erger, werd er een kofferbak vlak voor je voorbumper gefrot. De afrit was toch dichterbij dan gedacht.

Net als ik vooroverbuig om het hoopje mens onder het dekbed van warme thee te voorzien, beweegt ze een beetje. Blazend over het kokende water fluistert ze dat Volvo-man, omringd door bergingswerkers en het ambulancepersoneel, zijn vrouw belde voor een lift naar huis. Een kwartier later was die er, haar verse Volvo slordig geparkeerd voor de autowrakken. “Wij gaan”, zei ze, voor ze haar man de auto induwde. Daarna draaide ze zich om. “Kan ik je wellicht nog afzetten op het station, want jouw huis is echt te ver. De hond zit in de auto.” Versuft zag mijn vriendin ze wegrijden. Ze zat midden op de weg tegen de vangrail: duizelig, haar bril gebarsten en met een halve bumper in haar handen.

dinsdag 28 augustus 2012

nijntje


Die dag in Italië is het zo warm dat ik niets anders kan doen dan lamlendig liggen. Zweet rolt in straaltjes tussen mijn benen, de handdoek heeft een donkere, zilte plek. Kinderen vliegen af en aan voor mijn ligbed, gillend om genade of ijs.

Rond zevenen sta ik met knorrende maag in een gigantische supermarkt te bedenken wat ik ga eten. Bij binnenkomst heb ik twee koelelementen achter de literbakken pistache-ijs in de diepvries verstopt. Mijn koelboxje staat in het karretje. Barbecue wordt het: grill aan, plakjes komkommer en wortel erbij, flesje ketchup ernaast en klaar ben ik. Veel moeilijker moet het niet worden met deze temperaturen.
De vleeswarenafdeling is enorm en onbegrijpelijk. Het woord pollo gamba doet een belletje rinkelen, maar ik leg de roze kippendijen niet rauw op mijn rooster. Ernaast liggen Suini Guancia. Dat zijn varkenswangen, maar dat weet ik dan nog niet. Het ziet er niet uit als potentieel barbecuegenot. Precies op het moment dat ik een paar lekker uitziende hamburgers optil, snap ik de paardensticker op het cellofaan. Black Beauty gaat niet mee. Ook de afgehakte varkenspoten laat ik liggen. Ik ril als ik, iets hopelozer, voorverpakte hersentjes herken.

De coratella ziet er zo “Star-Trekkerig” uit dat ik het even te kwaad krijg. De naam klinkt dan wel snoezig, een beetje als Nutella, maar ik trap er niet in. Ook de Lampredotto, hoe lief dat ook klinkt, neem ik niet. Later, als ik weet dat het koemaag en hart gemengd met bloedvaten zijn, ben ik daar blij om.
Ik duik op een stapeltje koteletjes. Althans, dat denk ik. Ze liggen tussen schaaltjes met ogen en testikels: als echte vrouw herken ik die meteen. Een zuchtje koele lucht uit het luchtrooster brengt me weer bij zinnen. Snel loop ik door; in mijn kar slechts een bakje tomaten en een komkommer tussen twee blikjes cola.

Bedrukt wens ik dat ik een Wickie-de-Viking-vinger heb: even wrijven onder mijn neus en voila: een idee! Ik zoek een tijdje naar het minst erge pakje worst. Dan komt mijn Wickie-moment. Kordaat loop ik naar een Italiaanse mama, om haar forse heupen een lichtblauw schort geknoopt. Ze knikt me vriendelijk gedag als ik het pakje worst toon. Wijzend naar de rolletjes knor ik als een varken. Haar oorbellen rinkelen. “Si! Si!”, knikt ze met opgekrulde lippen. Om duidelijker te zijn, knort ze uitbundig terug. Eindelijk leg ik iets in mijn karretje.
Een pakje zalig uitziende lapjes kijkt me uitnodigend aan. Vlees! Gesterkt door mijn ervaring met de vriendelijke dame, klamp ik een heer aan. Hij is dikker dan dik en heeft een zwart baardje. Zijn dunne haar is opzij gekamd, het overhemd met korte mouwen is donker in de oksels. Abrupt draait hij om, een vragende maar vooral boze blik. “Scuzie,” hakkel ik, want dat heb ik geleerd van de irritant spetterende jongetjes op de camping. “Scuzie. Animale?” verzin ik er trots bij. De man begrijpt me niet. Ik wapper met het piepschuimen bakje. “Que animale?” probeer ik nog eens, meer smekend nu. “Ah!” bromt hij fronsend. Zijn handen gaan de lucht in. Onder de mouwen piept een bos zwart krulhaar naar buiten. Tussen de vitrines met gekoeld vlees hopt mijn Pavarotti-lookalike met kleine sprongetjes voor me uit. Het puntje van zijn neus gaat razendsnel op en neer. Zijn wijsvingers steken achter beide oren omhoog. “Coniglio!” roept hij. En dan “Roogeeer rabbit!”. Om er zeker van te zijn dat ik hem begrijp, springt hij met blubberbuik en al nog een paar keer heen en weer op de tegels, zijn vingers gekromd boven zijn achterhoofd. Hij weet van geen ophouden. Ik blijf jaknikken tot hij, nog meer bezweet dan daarnet, met een tevreden grijns terugknikt.

Morgen ga ik eerst een woordenboek kopen in het campingwinkeltje, maar vandaag blijft het bij twee worstjes.

donderdag 23 augustus 2012

facebookmoord


“Hey, met mij! Weet je wat die Winnieteef heeft geschreven op d’r Facebookpagina? Dat ik vóór ik met Wessel ging, al met vier anderen naar bed ben geweest!”

…..

“Nee man! Het stomme wijf. Ja, duh, natuurlijk waren het er meer, boeiuh!”

…..

 “Een kutspleetoog, dat is het! Een vieze roddelaar! En roddelaars moeten boeten, keihard!”

…..

 “Ik kan me er zo kwaad om maken! Ik heb net m’n i-Phone kapotgesmeten! Best friends forever, nou, die steekt ze maar in d’r Chinese doos! Her worst nightmare, dat ga ik worden! Bashen zal ik –er!”

…..

 “Ik zet het –er betaald! Dat zet je toch niet op internet, dat ik geen maagd meer ben! M’n moeder leest daar ook. Ze moet kapot, hoor je me? Kapot!”

…..

 “Niks Dolly-schatje, het kreng gaat em krijgen! Ik trek d’r ogen uit haar rotkop. Kokend hete thee erover heen, krijgt ze van die lekkere rode littekens. Ik plak d’r smoel en neus dicht met plakband, dan piept ze niet meer! Lekker langzaam stikken, dat kan ze van mij! Dood gaat ze!”

…..

 “Drion-pil? Wasda?

…..

 “Oh, hihi. Yeah, right. Echt, dood moet ze. Nobody calls me a slut. Weet je wat ze vorige maand heeft gedaan? Ze Facebookte dat ik haar huiswerk had overgeschreven! En toen in de stad, weet je, ze vrat de helft van mijn patatje op! Had ik betaald! Wat een Winnie–the-poepwijf!”

…..

 “Ja, maar dit kan ik niet vergeven! Nooit! De schimmelteef! En weet je nog, die ene keer, dat ik niet achterop mocht toen mijn band lek was? Of toen ze me die twee euro niet wilde lenen? Nee, en deze! Die zaterdag dat ze m’n kauwgum had gepikt! Echt, ik pak die bitch finaal!”

…..

 “Dan laat ik het toch doen? Wacht dacht je van die kleine kutchinees? Nee, die andere, die Jinho! Heeft toch al 2 veroordelingen, ook zo’n no-good”.

…..

 “Mwoiah. Twintig euro? Lijkt mij ook genoeg. Opgeruimd en wegwezen. Niemand spot met mij! Dit zijn belangrijke dingen!”

…..

 “Wat kan mij dat rotten als -ie gepakt wordt? Ikke niets gedaan, toch? Ik kan echt niet gemist worden. Stel je voor, ik dood. M’n moeder zou d’r in blijven!”

…..

 “Chickie, ik moet hange. Word geliked door ene Shanna. Nee, die ken ik niet, maar dat is nu mijn nieuwe Best Friend Forever.”

 
Omdat zij geroddeld zou hebben, werd Winsie Hau in opdracht van haar voormalige hartsvriendin Polly op 14 januari 2012 vermoord voor 20 euro. De huurmoordenaar, Jinhua, was 14 jaar oud en had al een strafblad.

vrijdag 17 augustus 2012

leren is incasseren

Vandaag is de laatste keer. Zodra ik de sleutel omdraai, hoor ik ze janken, de katten van mijn ex. Mijn vroegere keukendeur heb ik de afgelopen weken dagelijks van het slot gedraaid. Mijn tas volgens jarenlange routine op het aanrecht geslingerd. Soms bleef ik een uurtje om te knuffelen en spelen. Andere dagen vertrok ik snel na het voeren. Ik voel me al een tijdje een vreemde in het huis, zeker toen ik vorig jaar bij het oppassen merkte dat alle koperen sleutels uit de antieke kasten opgeborgen waren.
Naast de waterkoker staan een mok en een blikje thee. Het zakje m&m’s dat er altijd stond om mezelf die weken te vermaken is dit jaar afgeschaft.

Mijn ex was fantastisch: attent, lief en verschrikkelijk grappig. We maakten ons sterk voor onze buurt. Hechtten enorm aan ‘normen en waarden’. Hij wilde niet lijken op “mensen uit een komkommerbuurt”, zoals hij zelf zei. “Fatsoen is een kleine moeite”. Na onze scheiding debatteerde hij niet meer met mij maar met liberale vrinden die gebroederlijk sigaren rookten. De rugzak die hij naar het werk droeg, werd een koffertje. Onze ferme stroom aan e-mailtjes versoberde, tot mijn postvakje uiteindelijk helemaal leeg bleef. Te druk. Nu is hij met zijn nieuwe vriendin aan het steenhouwen in Frankrijk.

Ik raap de post van de mat. De Nieuwe Revu heeft plaatsgemaakt voor Elsevier. Op het aanrecht ligt een briefje. Het begint niet met “Hoi Eveline!” of een zakelijker “Hallo cattysit”. Er staat enkel een slordige krabbel met vulpen: “Ieder een maatbekertje brokken per dag. Als het warm is extra water. Kattenbakgrit staat in de garage bij de deur.”
Op de vierde dag van zijn vakantie krijg ik een smsje: “Comment ça va avec les chattes? Het is hier warm.” Meer staat er niet. Ik smeer net een blikje kabeljauwprut op het schoteltje. Als de poezen eten, typ ik een heel verhaal terug. Zijn telefoon staat al uit. Ondanks de zomerhitte heb ik koude vingers, merk ik als ik mijn mobieltje opruim. Buiten schreeuwen de vele perkplanten om water. Ik vul de gieter die we ooit samen kochten. En nog eens. En nog eens.
Gebukt over de bulkzak kattenkorrels in de garage barst ik in snikken uit. Op een berg prullaria ligt, scheefgezakt, Paddy’s mandje. De dag dat we haar begroeven in de tuin, snikten we kwijlend en dronken koffie met cake op een stoeltje onder haar lievelingsboom. Plechtig beloofden we elkaar het grafje te blijven eren. Kort na de scheiding vroeg hij de sleutel van het tuinhek terug.
Mijn ogen zijn nog een beetje rood als het brommertje van de buurman naast me knettert op de oprit. “Heey!” De zware bas klinkt vertrouwd. We praten even. “Nee, ik zie hem ook niet meer. Wist je al dat ik ontslagen ben?” Hij schopt wat steentjes weg. “Zij is zo anders. Ze praat niet met mij zoals jij en de mensen in de straat,” sluit hij af als ik in de pedalen klim.

Vijf dagen voor de verwachte terugkomst komt er een tweede sms. “Hoi Karmanie. Past het als wij een paar dagen later naar huis gaan? We willen zwarte zaterdag vermijden. Laat maar weten.” Binnen twee minuten antwoord ik. “Geen probleem. Ik blijf. Genieten jullie maar!” Er komt nooit antwoord.
Zachtjes open ik het klepje van de brievenbus. De sleutels ploffen op de kokosmat. Vandaag besef ik dat mijn oneindige loyaliteit aan de man van wie ik zestien jaar hield definitief voorbij is. Morgen komen ze thuis. Ik zet dit keer geen bloemen op tafel. Ik ga niet meer terug. Het is mij een beetje teveel een komkommerbuurt geworden.

dinsdag 7 augustus 2012

de jeugd van tegenwoordig...

Een bezoekje aan eenzame stakkers door leden van De Zonnebloem of Vrijwilligerscentrale? Buddy’s voor ernstig zieken? Stichting Korrelatie bellen als je in de put zit? Schei toch uit! Dat is zo 2012!

Onze jeugd staat te springen om al deze klusjes uit handen te nemen. Betaald. Dat wel.
In Groot Brittannië is het tegenwoordig een rage onder mannelijke studenten om je gezelschap te verkopen aan oudere dames. Op commando lachen om belegen grapjes in kamertjes vol luierlucht levert keiharde munten op. Werving gebeurt nu nog via het internet, maar ik voorspel heuse bemiddelingsbureaus. Is opera goed? Ik heb een aanvraag van een vijftigplusser die een beetje dement is, of kiest u voor de kwieke zeventiger met het loszittende kunstgebit?

Mannelijke studenten laten zich betaald fêteren door eenzame ouderen. Ze gaan avondjes uit met hen die snakken naar een ouderwets operetteavondje of eten ossenhaas tegenover een dame die dan wel geld heeft, maar niemand meer om het mee te delen. Onze aanstaande doctorandussen, biologen en werktuigbouwkundigen zijn niet te beroerd om een kostuum aan te trekken en de auto van papa te lenen. Oma kan slecht met haar rollator naar het centrum lopen, nietwaar?
Deze week interviewde een Brits dagblad een van de jongeheren. Ene Ron had al aardig wat centjes verdiend met zijn dates, en, zo meldde hij: “veel van mijn vrienden doen het ook.” In het paginalange artikel werd met geen woord gerept over Rons grootouders. Omdat Ron “niet zo handig is in het formuleren wat de oudje besjes willen lezen,” schrijft partner Catherine (21) zijn smsjes en e-mails. Om ongepaste situaties onder controle te houden, controleert zij ook Ron’s telefoon. Geen gedragen Tenalady’s in haar huis. Daarnaast beheert ze als een echte souteneur Rons agenda, geeft kledingtips en telt achteraf de poet.

Ron vertelt op zijn beurt trots dat een van zijn klanten hem onlangs voor 500 euro in het nieuw stak waarna hij het zich goed liet smaken in chic restaurant. Na afloop van het etentje gaf de dame hem nog bijna 650 stuiterballen in contanten mee voor zijn studie. “Maar er zijn ook dames die alleen maar willen kletsen aan de telefoon,” orakelt hij verder. Na een giro-overschrijving is dat natuurlijk geen probleem. Wonderboy praat dan graag over zijn kostbare studie. Na weer een dag in eenzaamheid kan zijn klant dan tevreden slapen.
Als dit ons nieuwe gedachtegoed gaat worden, dan moet een beleefdheidsbezoekje aan mijn tante toch wel 100 euro doen. Het mens is stomvervelend. Dat is dan een familieprijsje. Een ritje naar het tuincentrum met de gehandicapte moeder van mijn vriendin levert minstens 35 euro op. Moeten ze zelf maar een auto kopen, mijn auto rijdt niet voor niks en mijn tijd is kostbaar. Als ze zo nodig potgrond moeten hebben, sjouwen ze het ook maar zelf in de kofferbak. Voor het uit de stad meenemen van een harinkje of gebakje voor mijn bedlegerige buurvrouw reken ik 15 euro, exclusief materiaalkosten. Als ze de buit ‘gezellig’ samen wil opeten, vraag ik 20 euro extra. Vriendinnenbezoekjes verreken ik echter met gesloten beurs. In een excelbestandje noteer ik de tijden die we bij elkaar hebben doorgebracht, zodat dit per kwartaal gelijkgetrokken wordt.

Het positieve aan dit verhaal vind ik dan weer de opkomst van de vrouwelijke pooier. Die heeft in tegenstelling tot haar mannelijke collega’s tenminste respect voor te lange werkdagen en mept niet in het rond om haar omzet te verhogen. Ik steek er mijn hand voor in het vuur dat Britse studente Catherine niet door het rode licht rijdt met 170 kilometer per uur in een zwarte, geblindeerde Honda CRX 3.0 Turbo met bullbars voorop.

dinsdag 31 juli 2012

my big fat gypsy wedding


Het is prachtig weer buiten. Alles in mij schreeuwt om een terrasje. Of eigenlijk om appeltaart met een reusachtige klodder slagroom, maar dat is een andere column.

Na even drammen heb ik mijn man in de auto gewerkt. Onder een mild zonnetje ploffen we later in een rotan stoeltje voor café De Waag in Doesburg. De taart wordt besteld. We genieten van  de winkelende mensen. Voorover gebukt om mijn lief een kus op het voorhoofd te drukken, gaat tegenover het terras een kerkdeur open.
“Er komt zo een bruidspaar,” klinkt het onder mijn kin. Vol bewondering kijk ik naar beneden. Mijn man weet alles. Hij ziet me staren en knikt naar een grijze Mercedes met een joekel van een bloemstuk op de motorkap. Het is een brikkie, type pooierbak.

Uit de kerk stapt een meisje. Ze heeft een ieniemienie rokje aan (nog korter dan mijn Hello-Kitty-slaapshirt) en vuurrood haar tot op haar heupen. Haar linnen topje stopt net onder de behasluiting. Onder deze creatie draagt ze torenhoge hakken met kurkzolen. Het publiek op het terras valt stil. Achter het meisje roetsjt een jongeman naar buiten. Zijn rits oorbellen glinstert in de zon. Behendig rijdt hij de Mercedes voor de antieke kerkentree.
Om me heen wordt druk besteld. Met een beetje geluk staat de verse koffie op tafel voor de klokken luiden. Op straat stappen fietsers af. Een oma waggelt met haar kleinkinderen over de keitjes richting trouwauto.

De houten deuren gaan nu wijd open en een troepje mensen, net zo florissant gekleed, haast zich om zeepbellen te blazen richting hoofdingang. Daar komen de feestvarkens. Ik zit op het puntje van mijn stoel. Achter me roert een dame al minutenlang in haar theeglas. Er wordt stevig in mijn hand geknepen. “Oh my god,” zegt mijn man. Ik hoor zijn woorden in stereo om me heen.
Felrode flamencoschoenen stappen over de keitjes. De bruid is Benidorm-bruin en heeft het pikzwarte haar dat je alleen kunt maken met pakjes haarverf van de Lidl. Lijzige, strenge haarstukken komen tot haar heupen. Om haar taille wappert een rood lint, maar de strakke strik kan haar taille niet redden. De synthetische jurk is aan de voorkant zo kort, dat je het kant van het witte wielrenbroekje eronder kunt zien. Achter trekt een sleep krullend over de kasseitjes. Oorbeljongen rent naar de bruid. Hij steekt een sigaretje voor haar aan, dat ze tussen haar lippen klemt. Stevig inhalerend kust de bruid nu haar gasten; het stokje afwisselend tussen gelnagels en lippen. Twee kinderen met groene haarstekels trekken zich omhoog aan een gietijzeren klopper die in de kerkmuur verankerd is. Met hun gymschoenen beklimmen ze de stenen. Een jongen met eenzelfde corsage als het trouwboeket op zijn pak staat aan de overkant van de weg te ginnegappen met wat knullen. Hij staat met zijn rug naar de kerk en zuigt stevig aan een peuk.

“My big fat gypsy wedding,” fluistert mijn man, doelend op het televisieprogramma dat zo clownesk hilarisch is, dat ik tot op vandaag dacht dat het in scene is gezet. Alle gesprekken om ons heen zijn verstomd. Achter me draait het theelepeltje nog steeds rondjes in het glas. Het massaal toegestroomde publiek verroert zich niet. Niemand klapt.
Dan maakt een van de mannen zich los van het bonte gezelschap en stampt naar ons terras. Het is muisstil. Snel schuif ik een hapje taart naar binnen. Rommel doelloos wat in mijn handtas en leg mijn vestje op de stoel naast me. De man loopt weer terug, in zijn handen een dienblad met fluitjes pils. Hij trakteert eerst de bruid en bruidegom die proostend het halve glas met een enkele ferme slok naar binnen klokken. Ik hoor een harde boer. Midden op straat ontstaat een klein bacchanaal. Builen shag verschijnen, het bier vindt gretig aftrek en het enige lawaai in de wijde omgeving is het luide gelach wanneer een bruidsmeisje merkt dat haar jurkje doorschijnt in het zonlicht. Haar brede billen zijn gehuld in een zebravel.

“Aso’s,” lispelt de dame van het krassende theelepeltje achter me. Ze staat op. Snel schuift ze de kleine plastic kuipjes roomboter in haar handtas. Dan grist ze nog vier suikerzakjes mee.
“Kampvolk,” murmelt haar man. Hij wacht tot de serveerster hem zijn vijftien eurocent wisselgeld teruggeeft.

“Het zal je dochter zijn.” Hij krijgt support van het echtpaar naast hen. De vrouw schuift haar dure zonnebril in het haar en knikt naar het groepje feestvierders. Haar hondje plast tegen de tafelpoot.
Een flinke tros blikken achter de auto ratelt ons allemaal overeind. Het kersverse echtpaar wordt joelend uitgezwaaid. De gasten dansen stampend rond de optrekkende auto.

Een van de jongens, met een meer dan royale tatoeage in zijn hals, wandelt behoedzaam richting café. In zijn armen balanceert hij een dienblad met daarop alle geleende bierglazen. Omgespoeld en keurig op een rijtje.

dinsdag 24 juli 2012

tour de femme


Nu de wielerkaravaan weer ingepakt en in lange slierten is vertrokken om op te laden voor de zomerkoersen in Bullemerbroeck en Valssemeer, wordt het eindelijk weer rustig in huis.

Als echte vrouw verwonder ik me ieder jaar opnieuw over de tijdens de Tour plotseling opduikende groepjes hobbyfietsers. Mannen (het zijn altijd mannen) met robuuste Hollandse lijven, geperst in superstrakke pakjes en woest laverend tussen de senioren met Spartamet. Je vindt ze vaak op de verlaten wegen, de dijkweggetjes of zomaar ineens naast je op het pontje, in hun fluoriserende reclame-nylon, en een been al in de ankers om flink af te trappen als de boom omhoog gaat. Hun "zakie" prominent en zonder schande bobbelig opgefrot in het blauwe zeemleer.

Op de televisie maakt het vaste zendschema begin juli plaats voor praatprogramma’s vol ijdele tourgroupies, handjesschuddende sponsors en uitgekakte renners die in de winter bijklussen als ijsdanser of gastspreker in huize Avondlicht.

De gezellige Hollandse huisman verruilt zijn lollige barbecueschort voor de afstandbediening. Ook mijn man, wiens new best friend ineens Mart Smeets is, en die alle tourgeheimen kent. Met in zijn hand een biertje brult hij vanaf de bank onbegrijpelijke termen als "aan de boom schudden", "snot voor de ogen rijden" en "wegkletsen". Onvermoeibaar moedigt hij urenlang het tv-scherm aan. Voor, tijdens en vooral na iedere etappe wordt teletekst uitgepluisd. Mijn dagen zijn deze weken gevuld met alles wat ik kan doen zonder voor de bank te lopen en lieftallig zwijgen. Ik wacht zelfs volgens instructie met het bereiden van de avonddis tot na half zes, onderwijl zuchtend en puffend bij het horen van al deze terminologie.

In deze wereld van geheimtaal duurt het jaren voor wij vrouwen deelgenoot worden van het mysterie van de beenolie. Nooit vertelt ook maar één bankfietser mij details ik nou interessant vind, zoals een antwoord op de vraag of er een douche in de tourbus zit of dat volle blazen worden geleegd in pauzetijd of in Dixies langs het parcours. Nee, pas later, veel later, wanneer een camera net iets te laat wegdraait, komt hare sulligheid achter het grote geheim van de leeglopende ventieltjes.

De Tour. Na drie weken volledig ondermijnde routine en afgedwongen privileges heb ik het dapper voldragen. De laatste interviews druppelen nog na in de kranten. Mijn vriendinnen en ik halen opgelucht adem. Ik heb mijn man weer terug, althans, dit jaar tot de aftrap van de Olympische Spelen. Ik ben gelukkig voor bijna 50 weken verlost van de bolletjestrui, de gele trui, de witte trui, de aanvallende punten en de leiders en de knechten. Het is tijd voor de gewone wereld. Waar een colletje nog gewoon een truitje is, een gevallen gat gewoon met de naaimachine gedicht kan worden en je bij "geparkeerd staan" alleen nog hoeft te denken aan je blauwe schijf.

woensdag 18 juli 2012

oma heeft altijd gelijk

Het is woensdagochtend en ik sta op het station tussen een kluitje wachtende mensen. Omdat ik onderweg ben naar een lunchafspraak knort mijn maag ontevreden. Het gerommel wordt zo hard dat ik discreet een stapje naar achteren zet.

Schuin voor me staat een oude dame naast een leuke griet. Het meisje schat ik een jaar of 20 en is snoezig om te zien. Haar blonde haar krult over het schouderbandje van het kleurige zomerjurkje. Om haar taille heeft ze een vestje geknoopt; een plastic pinguïn bungelt aan haar handtas. Ze straalt.

De vrouw naast haar straalt allerminst. Haar lippen zijn in een streep getrokken; het grijze haar streng opgestoken. De blozende wangen zijn verraderlijk. Ze kijkt ontevreden om zich heen, leunend op een wandelstok.

"Mijn leesbril", bitst de oude dame. Haar buik drilt onder het grijze vestje als ze praat. Het meisje veert op en beweegt haar lippen. Raakt dan de hand van de bejaarde vrouw aan. Ze heeft een vrolijke stem als ze de brillenkoker afgeeft. Oma luistert half, met haar hoofd afgewend tikt ze ongeduldig met haar wandelstok op het beton. Het meisje is nog steeds aan het woord wanneer oma met die stok naar een donkere man wijst. Zonder iets te zeggen tilt ze haar kin ietsje omhoog. Dan legt ze bijna onmerkbaar haar hand over haar handtas. Het meisje kijkt eerst naar de man en dan naar mij. Ze sluit beide ogen in een fractie van een seconde. Ik glimlach naar haar.

In de paar seconden dat wij oogcontact maken, klikklakt de oude dame twee keer dwingend met haar stok op de grond. Onderaan het hout zit een rubberen dop. "Niet overstappen," zegt ze. De blonde krullen dansen als het hoofd van het meisje op en neer gaat. "Jawel oma, één keertje."

Op precies het moment dat de streepmond weer open gaat, raakt de bruine stok het perron. "Nee," klinkt het synchroon met de rubberen tok. Voorover gebogen frummelt het meisje nu in haar tas. Ze heeft hem op de grond gezet en de pinguïn verschuilt zich veilig achter de flap.

De grijze dame snift uit de hoogte richting twee wannabee rappers van een jaar of 17 en draait dan haar rug naar zowel het meisje als mij."Niet overstappen. Hoeft niet. " Statig trekt ze haar vestje recht.

Ik zie het meisje aandachtig tikken op haar mobiele telefoon. "Nee oma", klinkt het geduldig. Ze scrollt over het schermpje. "Hier staat: overstappen in Amersfoort. We moeten dus één keertje wisselen".

Oma draait zich zuchtend om, wijst dan met haar stok naar het mobieltje. "Nee. Jij zit fout. Ik heb het afgelopen dinsdag nog gevraagd bij het loket. Niet overstappen".

Bij de overweg klinkt getingel. Vanaf nu kan ik geen van beiden meer horen. Het meisje komt omhoog, het opgekropen jurkje weer terug over haar knie trekkend. Dan sluit ze haar tas om de achtervolging op oma in te zetten. De spoorbomen waaieren mechanisch naar beneden. Ik versnel mijn pas, stap in het volgende treinstel en verlang als nooit tevoren naar een uitsmijter of stokbroodje. Als de trein vaart maakt, snap ik ineens precies hoe het komt dat de NS soms spontaan vermiste dames terugvindt in Sittard of Sneek.

maandag 9 juli 2012

boerkabeuken


Deze week een berichtje in de krant in een piepklein kadertje op pagina zeven. Twee homo’s zijn op klaarlichte dag in elkaar gemept in een grote stad. De schade: scheldwoorden die pijn doen aan je oren, bloedneus en een kapot getrapte bril. De daders waren in dit geval een paar Marokkaanse jongens die het nodig vonden om zich lekker uit te leven. Zo maar. Omdat homofielen zich niet conformeren aan de standaard van onze Marokkaanse vriendjes.

Respect is echter tweerichtingsverkeer. Laten we het daarom eens omdraaien.

Deze week een berichtje in de krant. Twee vrouwen in boerka’s zijn op klaarlichte dag in elkaar gemept in een grote stad. De schade: scheldwoorden die pijn doen aan je oren, bloedneus en een kapot getrapte bril. De daders waren in dit geval een paar Brabantse jongens die het nodig vonden om zich lekker uit te leven. Zo maar. Omdat moslima’s zich niet conformeren aan de standaard van onze Brabantse vriendjes.

Ik vraag me serieus af of deze laatste matpartij net als het eerste berichtje ook in een minikolommetje op pagina zeven zou staan. Ik voorspel dat de krantenkoppen net zo loeivet en in formaat spandoek zijn, als op de (fictieve) dag dat Nederland Wereldkampioen voetbal wordt. "Generatie Boerkabeukers opgestaan" schreeuwen ze dan. Matthijs van NIeuwkerk hangt al aan de lijn met de op dat moment hipste knuffelmarokkaan voor een lekkere rel en geile kijkcijfers.

Ik voorspel verhitte discussies over het al dan niet deporteren van Brabanders. Bij een "meldpunt Brabo’s" kun je aangeven of je je ooit bedreigd voelde door deze zuiderlingen. Aangevoerd door een fulminerende Imam trekken hordes BMW’s en Golfjes TDI met spuitende knalpijpen door Oeteldonk, Lampegat en Kruikenstad om verhaal te halen. Ruiten worden ingegooid, graven beklad. Zelfs nu er halalvlees in de supermarkt in Maaskantje ligt, wordt er nog een extra aanpassing van ons verwacht. Boerkabeuken mag niet: potenrammen is niet zo heul erg.

De regering "baart zich zorgen". Doctorandussen en professoren maken proefschriften in opdracht en de conclusies over zinloos geweld zijn zo schokkend dat Den Haag stelt dat er "actie moet komen." Sinds wanneer is onze ruggengraat zo verweekt dat de regering een oplossing moet verzinnen?

De gemeenten Utrecht en Den Haag laat geplaagde homo’s liever verhuizen dan dat zij de agressoren aanpakt. Magda Berndsen van D66 vond de hele hausse over homopesten zelfs wat overdreven. Vorige week werd voor me in het Kruidvat de Nederlandse caissière door een pukkelende autochtone puber uitgescholden voor "kuthoer". Ik sidderde wat er gebeuren zou als ik dat tegen zijn moeder had gezegd. Maar niemand zei iets.

De vloedgolf van verontwaardiging over de neergestoken Kerwin Duinmeijer weet iedereen zich nog precies te herinneren. Daniel van Cothem, Joes Kloppenburg, Jan Kievit, René Steegmans en Meindert Tjoelker zijn echter vage namen uit een veel minder ver verleden. Een standbeeld in het Vondelpark voor Kerwin, voor de andere slachtoffers maken we ons niet drukker dan het opspelden van een lieveheerstbeestje-badge of een stille tocht. Geweld op straat is gemeengoed geworden,zwangere vrouwen worden in elkaar getrapt, bemiddelaars in ruzies doodgeslagen en supporters op het voetbalveld worden doodgetrapt. We zuchten erom.

Met de mond vol van multiculti verdraagzaamheid, schuifelen we zwijgend en vooral zonder opvallen verder als een sliert mieren met 1 opvallend blonde mier ertussen. Die mier moet eruit, dan is de sliert weer uniform. Het wachten is op de eerstvolgende krantenkop.

dinsdag 3 juli 2012

allemaal opstickeren!

De dag dat ik in mijn huis trok, nu al weer jaren geleden, zag ik op de brievenbus een sticker. ‘Nee-Nee’ stond erop: geen ongeadresseerde reclame en ook geen plaatselijke sufferdjes. Gedachteloos probeerde ik bij het pimpen en poetsen van mijn nieuwe kasteeltje de plakrand los te peuteren, maar het ging zo moeizaam dat ik het tot nader order uitstelde.

Eerst was het nog even lastig. Verfblikken stonden braaf op reststukken behang in plaats van op de Kruidvat-folder. Ramen werden bij gebrek aan mintgroene bloemenslips uit de Zeeman-krant afgeplakt met De Telegraaf van mijn moeder. De badkamer kreeg nieuwe kit en voegsel met dank aan duct-tape en opengeknipte nieuwe vuilniszakken. Er was simpelweg geen enkel Xenos-blaadje of Hema-boekje voorhanden. Maar alles went, en de sticker zit nog op de voordeur.

Om er zeker van te zijn dat ik werkelijk niets mis van alle pret, neem ik af en toe uit de supermarkt het plaatselijke koeriertje mee. In het rekje naast kassa 1 lonkt het gemeentelogo vrolijk naar me, alsof het me probeert te verleiden. Mijn dorps-chauvinisme laat me dan zwichten en ik buig. Eenmaal thuis, met een kopje thee naast me, ploeter ik eerst moedig door alle zwart-witfoto’s van de zoveelste diamanten bruiloft. Een taartetende burgervader lacht als een boer met kiespijn tussen de letterlijk grijze besjes. Daarna komen de interviews met jeugdige prijswinnaars van de kleurwedstrijd van zonweringleverancier, vogelvereniging of supermarkt. Op de volgende pagina een eufemistische recensie van de toneeluitvoering van de damesclub. Aansluitend dieptegesprekken met de gemeenteraad over het nieuwe zebrapad. Na de oproepjes ter overname van een seniorenbed of ‘zo goed als nieuwe’ rollator weet ik het wel weer. Hier mis ik niets aan: de sticker blijft zitten.

Toch weten ze me te vinden, dwars door mijn brievenbus. Lokale winkeliersverenigingen met hun braderie, de wijkagent die inbraakpreventietips voor me heeft, vlijtige buurtvrouwen die afvalpillen willen slijten… Twee woorden achter elkaar lezen is voor sommigen nog iets te moeilijk.

En dat is slechts het topje van de ongewenste-reclame-ijsberg. Ik word bedolven onder spam in mijn e-mailbox. Opdringerige sms’jes bliepen op mijn telefoon. Als ik mijn e-mail lees, kruipen banners als een olievlek over brieven. Invasies geadresseerde maar niet te stoppen Postcode Loterij-brieven. Garages die mij vertellen dat mijn auto gekeurd moet worden. Gelukkig hebben zij een megagoeie deal voor me in hun showroom. Zelfs als ik werk floepen er ineens precies dezelfde producten op mijn scherm als die ik de dag ervoor als potentiële aankoop bekeek. ‘Ben je mij nog niet vergeten?’ lijken ze te roepen. ‘Joehoe! Koop mij!’

Het meest idiote staaltje van opdringeritis trof ik deze week onder de ruitenwisser van mijn auto. Door de aanhoudende regen plakte het fotopapier waarop de tekst gedrukt was tegen de voorruit. Met veel moeite en gepruts pulkte ik het foldertje er met mijn nagels af. Het resultaat was een grote, witte vlek op mijn prachtige autoraam. Lijmresten van het glossy drukseltje bevlekten oneerbiedig mijn allerliefste blikje. Mijn ogen schoten vuur toen ik het doorweekte en gescheurde vodje las. Het was een werving van een autowasserette.