dinsdag 27 augustus 2013

de verliezer (kort verhaal)

Ik kan me niet meer beheersen, geef hem een mep op zijn wang. Zo hard als ik kan. Flarden spuug komen mee uit mijn mond als ik schreeuw: “Lafbek! Vieze, gore smurfendrol!” Emiel kijkt glazig door me heen, trekt zijn lip op. Mijn hand doet zeer.

De dag begon nog wel zo goed. Ik hoefde vandaag bij de apotheek niet te wachten en was snel klaar. Daarna vond ik in mijn jaszak een briefje van twintig euro. Geen idee hoe dat daar kwam, maar vandaag geen macaroni of witte bonen in tomatensaus maar riblap! Toen ik ook nog met de leuke studente in de lift stond, dacht ik dat mijn dag niet meer stuk kon.

Het was druk toen ik aan kwam op de parkeerplaats van de bouwmarkt. Van mijn extraatje kon ik eindelijk mijn deurbel repareren. De auto’s op de invalidenplekken stonden krap geparkeerd. Het kostte me vandaag meer geworstel dan anders om uit mijn scootmobiel te klimmen. Licht hijgend sloot ik de deur. Door alle inspanning ontsnapte een scheet. Juist toen ik me omdraaide en mijn eigen lucht herkende, zag ik hem. Hij stapte uit een donkerblauwe Audi die glom van protserigheid. Met grote stappen beende hij mijn richting uit, zijn arm achterlangs op de auto gericht. Het alarm bliepte. Emiel, nu nog een meter of veertig van me af, liep richting ingang.
Emiel! Vroeger vingen we urenlang kikkervisjes. We schommelden in autobanden, druk discussiërend of katten een rotje in hun kont wel of niet zouden overleven. De urenlange opwinding van onze fantasie bracht al voldoening. Emiel, nu in ribbroek met collegesjaal heeft mij nog leren tongzoenen. Geen meid zou ons ooit uitlachen. Bloedbroeders waren we. In mijn eerste autootje trokken we door Frankrijk, keihard meeblèrend met de cd van U2. In de achterbak oma’s oude tent en vier kratjes Heineken. Emiel wilde makelaar worden, ik miljonair. Nachtenlang boomden we over later. Tot ik ziek werd.


Mijn hand wuifde naar hem en Emiel minderde vaart met vragende blik. Daarna herkende hij me, ik zag het meteen. Na al die jaren kan ik iedere frons of rimpel bij hem lezen. Ik ben nu een stuk magerder. Emiel niet. “Emiel,” zei ik. “Dat is lang geleden!” Hij keek me vragend aan, loerde opzij naar mijn gebutste driewieler. Emiel kennende vindt hij de konijnenpoot aan het draadstalen mandje weerzinwekkend. “Ken ik u?” vroeg hij. Zijn gezicht zonnebankbruin, zijn tanden synthetisch wit. Ik knipperde met mijn ogen.
“Ik ben het, Fons!” Het kwam uit mijn mond, maar mijn stem klonk anders dan daarnet bij de apotheek. Stoïcijns staarde hij me aan. Ik hielp hem. “Je weet wel, de twee vleesketiers!” Mijn hand zwaaide in de lucht als de happende barbecuetang uit de campingwinkel. Zwijgend staarde hij naar de korst op mijn hand. Zijn kin week omhoog en zijn neusvleugels stonden opengesperd.
Toen ik net ziek was kwam Emiel nog vaak op bezoek. We lazen samen Batmanstrips of jureerden verpleegstersbillen. Emiel kreeg een vriendin, studeerde af, kocht een auto. Zijn wereld werd steeds groter en de mijne alleen maar kleiner. Ik wachtte. Wekenlang. Steeds wanhopiger. Eerst op Emiel en later op een donornier. Met steeds minder energie zag ik soms de zon door het ziekenhuisraam en droomde over prikkende zonnestralen op onze ruggen en over vergeten beloftes.

“Sorry,” antwoordde Emiel. Zelfs zijn stem klonk chique. Een man in een trenchcoat groette hem en in Emiels knikje zag ik zijn opgelatenheid. “Ik heb haast.” Het klonk zo onverschillig dat ik nu met zekerheid weet dat hij al mijn brieven heeft weggegooid. “Pardon” zei hij formeel, zijn voeten al gedraaid richting schuifdeur.
Een warmtegolf jaagt nu door me heen, verspreidt zich als een vlek. “Pardon ja!” schreeuw ik uit en wetend dat ik al zijn vooroordelen bevestig, treft mijn pezige, knokige hand doel met alle kracht die ik in me heb.
Karmanie schrijft behalve columns ook interviews, journalistieke stukken, fictie en non-fictie.
Deze week als intermezzo een kort verhaal.

dinsdag 20 augustus 2013

met je reet op Donnie

Vier kwam ik er tegen, dit weekend. Vier rouwmonumenten voor overleden kinderen langs de openbare weg. Dacht ik in eerste instantie nog een relaxed fietstochtje te maken; na de vierde stapel bloemen, lantaarntjes, knuffelberen en beschilderde kruisen -  met geboorte- en sterfdatum van Kevin deze keer - verlangde ik naar huis.

Vandaag staat in de kranten dat de moeder van de doodgereden Donnie verbijsterd is, omdat de gemeente Den Haag het door een heuse kunstenaar gefabriekte zitbankje niet wil plaatsen.
Het college stoort zich aan het prominente kruis op het bankje en refereert aan de regels omtrent grafmonumenten in openbare ruimtes. Kunst is uiteraard relatief, de een houdt ervan, de ander vindt het spuuglelijk. (zelf vind ik de Donnie op het bankje meer lijken op een rijpe twintiger dan op een kind van 13). De gemeente houdt hierbij wel een slag om de arm door alle media-aandacht even af te wachten.


Ik snap dat mensen zichzelf graag een plek toe-eigenen om te rouwen. Dat kan prima op begraafplaatsen, kerkhoven en bij urnenmuren, in alle rust en waarvoor je vrijwillig door de poorten loopt. Een ingetogen plek om geliefden te herdenken, zonder gevaarlijk geparkeerde auto's in het bermgras of omgevallen fietsen langs provinciale wegen.
Met jaarlijks 650 dodelijke verkeersslachtoffers is het echter zaak dat er regels zijn over het lukraak plaatsen van gedenktekens. Ik hou soms mijn hart vast als ik mensen bij het invallen van de schemer kaarsen zie aansteken op onverlichte provinciale wegen of in het gras zie zitten langs een ringweg in de bebouwde kom. Oordeel niet te hard, ik heb zelf ook een gezinslid verloren aan een auto-ongeluk. Rouwen doe ik nog dagelijks: bij het graf of wanneer ik fotoboeken kijk. Daar hoeft van mij geen wildvreemde met z'n reet op te zitten. Maar wat voor de achterblijvers voor wie een graf, urn of gedenkplekje thuis niet voldoende is?

De RTL-stal en half Ajax willen met een benefietvoetbalwedstrijd geld inzamelen voor een landelijk monument voor alle minderjarige slachtoffers van huiselijk geweld. Dat lijkt me een prachtig initiatief van de stichting RuJu. Cijfers tonen aan dat er in Nederland jaarlijks ongeveer 45 mensen overlijden door huiselijk geweld, waarvan 14 kinderen. Een eigen plekje voor hen in Zeist is dan ook een prachtig gebaar.
Als ik verder google, leer ik dat er zich tussen de eerdergenoemde 650 verkeersdoden maar liefst 32 kinderen bevinden. Verder speurwerk levert op dat er voor al deze slachtoffers geen landelijk herdenkingsmonument bestaat.
Zullen we afspreken dat als de heren voetballers genoeg geld hebben binnengeharkt voor stichting RuJu en het monument in Zeist een feit is, ze een tweede potje ballen voor een fatsoenlijk monument voor alle verkeersslachtoffertjes als Donnie en Kevin? Dan kan meteen de wildgroei aan kandelaartjes en beren na een fatsoenlijke rouwtijd weer worden weggehaald.

dinsdag 13 augustus 2013

grenzeloze lafheid

Ze kwam naast me wonen en ik wilde contact maken. Leuk, dacht ik nog, iemand om mee te delen.
Al na een paar keer viel me op dat ze ineens dezelfde kleur oogmake-up gebruikte als ik. Ik hield mijn mond. Ik zweeg ook die keren dat ze langs kwam voor 'een theetje' en al bij binnenkomst vertelde dat ze 'eigenlijk geen tijd had'. Opgejaagd zette ik de ketel op, terwijl ze vast alle weekbladen verzamelde die ik gelezen had. Haar tijdschriften gingen naar haar zus.
'Vertel jij maar, ik heb niets interessants beleefd,' hoorde ze me uit, terwijl ze haar i-Phone bestudeerde. "Dit is echt belangrijk." "Deze moét ik even nemen." "Mijn man, wacht even."
De keren dat ik haar mee uit nam voor een lunch of kopje koffie in een lunchroom werden alle versnaperingen gretig verorberd en geaccepteerd. Betalen liet ik haar niet, want 'ze kon net de aanbetaling voor haar vakantie fiksen.' En ondanks dat ik "echt geweldig was," kwam er nooit een uitnodiging terug. En nog snapte ik het niet. Ze had het vast druk, vergoelijkte ik. Ze schaamde zich vast voor haar kleine portemonnee. Ik hielp haar met alle copywerk voor haar eenmanszaak, want dat doe je als vrienden onder elkaar. De enige keer dat ik haar belde met een vraag over haarverf, 'was ze aan het werk.' Ze belde niet terug. De vakantie die ik haar aanbood om haar wereld groter te maken werd geaccepteerd en verorberd zonder ook maar een drankje te betalen. Een bos bloemen bij thuiskomst kreeg ik niet en tijdens de terugreis gaf ze aan dat ze die avond niet samen wilde eten wegens 'andere prioriteiten'. De dvd met gesorteerde foto's waar ik bijna elf uur aan had gewerkt - jij weet de volgorde vast beter dan ik - werd bij de voordeur opgehaald. 'We kijken later wel, heb haast!". Mijn hart brak in duizend stukjes, maar geloven in zoveel oppervlakkigheid kon ik toen nog niet. Mijn laatste geste, een kerstcadeautje, werd geaccepteerd met de vraag of ik de bon nog had. Ze wilde het ruilen in de winkel. En nee, zij had niets voor mij.


Mijn gas terug nemen werd dankbaar aanvaard. Moeite was aan mij niet besteed. Haar man stopte nog bij de voordeur voor een babbeltje; zij stoof zonder groeten voorbij. Contact werd vermeden, in vertrouwen vertelde geheimen likkebaardend doorverteld.
Nog net op tijd werd ik toen ik verhaal wilde halen bij de voordeur weggetrokken door mijn lief. 'Ik ga wel, je weet hoe ze is. Als jij haar confronteert, schrikt ze misschien. Maar ik zeg wel hoeveel pijn je hebt.'
Ze kwam haar holletje niet uit. Pas nadat manlief haar duidelijk maakte dat het misschien wel correct zou zijn mij te benaderen, hoorde ik wat. Een mailtje, schreef ze, zou niet alles goedmaken, maar, 'meer kon ze echt niet doen.' Verbaasd en beschadigd staar ik naar het scherm. Zes zinnen van 'meisje_322'. Meer kwam er niet. Een e-mailtje na twee jaar van mijn vriendschap, verzonden uit het huis naast me.

woensdag 7 augustus 2013

een beetje begrip voor de zakkenroller

"Het wordt steeds moeilijker voor me: zakkenrollen. Afgelopen weekend heb ik op de Gaypride gewerkt en de buit was karig. Negen smartphones, een Rayban-zonnebril, twee paspoorten, en uit alle gerolde portemonnees zo'n dertienhonderd euro aan contanten. De concurrentie maakt het lastig. Je wilt gewoon niet weten hoeveel het had kunnen zijn met minder kapers op de kust.

Deze drie dagen zijn er tientallen zakkenrollers gearresteerd. Alleen op het Rembrandtplein al 47. Het merendeel van de daders kwam uit Roemenië. Dit soort sukkels maken ons land te schande. Zij hebben niet goed geoefend, laten zichzelf de dag erna vaak wéér betrappen, en ik word erop aangekeken.
Ik ben nog nooit ontmaskerd. Ik ben namelijk een vakman. Een Pro. Apetrots ben ik op mijn lange vingers. In mijn thuisland, Roemenië, kan ik er niet veel mee. Ik wil niet werken op het land, want dan beschadig ik mijn handen. Fietsenmaker worden is ook niks voor mij. Dan krijg ik eelt op mijn vingertoppen. En met boodschappen inscannen achter de kassa verlies ik mijn vingervlugheid.
Ik heb gezocht naar andere mogelijkheden. Makkelijk werk met erkenning voor vakmanschap. Mijn talent lag in het zakkenrollen. Nederland bleek het paradijs. Ik geef meteen toe dat Dubai leuker is dan Hengelo of Tilburg - daar is altijd zon en iedereen draagt een Rolex of Breitling - , maar de straffen zijn in Dubai veel te hoog. Ik ben niet gek. Voor het opsteken van een middelvinger krijg je daar al gevangenisstraf. Ook in Duitsland en Zwitserland zijn ze niet kinderachtig.
Op sommige dagen bedel ik. Bedelen ja. Erg hé? En dat terwijl we allemaal broeders en zusters zijn. Roemenië hoort net als Bulgarije namelijk gewoon bij de EU. Ik bedoel maar. Snapt u het nog? Het levert overigens wel genoeg op, dat met de pet rondgaan. Zeker zestig euro per dag. Dat is bijna een maandsalaris in mijn geboortestreek.

Mijn vrouw vindt mijn zakkenrollerij maar niks. Te weinig contact met de mensen, zegt ze. Zij zit in het kettingrukken: iemand de weg vragen, als dankjewel een knuffel geven, en vliegensvlug alle sieraden weggrissen. Dat werkt vooral bij oude mensen. Easy peasy, zeg maar. Soms heeft ze geen zin in social talk en rukt ze gewoon de sieraden af. Anders gaat het toch maar naar hun kleinkinderen.
Nog een jaartje, dan kunnen we een huis in ons vaderland betalen. Cash hé. Je denkt toch niet dat ik mijn leven lang ga sappelen met zoveel talent? De truttigheid.
Ik ben geen tiepje dat van negen tot vijf kan werken. Ik heb vrijheid nodig. Mijn eigen tijd indelen, geen werkdruk en geen verantwoording aan een baas. Samen boterhammen met leverworst eten in een kantine: de gruwel. Nee, dan is dit stukken beter. Vandaag bijvoorbeeld lig ik lekker in het zonnetje na mijn harde werk op de Gaypride. Ik kon het even niet meer opbrengen na drie dagen keihard stelen uit roze netkousen en leren broekjes. Vandaag heb ik dus een baaldag. Even bijkomen ja. Mag ik?"

woensdag 31 juli 2013

chipsmonsters forever

Een half uur nadat ik per toeval tegen haar ouders botste, mailt ze me al: mijn vroegere vriendinnetje. Lieve Eveline, drie weken geleden had ik het nog over jou. Ik heb je een paar keer gezocht, maar iemand zei dat je in Amerika woonde.
Nerveus klik ik het bericht weg. Met mijn vriendin komen ook de herinneringen terug. Mijn oude leven. Mijn oude dorp. Flarden van gesprekken, geschreeuw, het diepe gevoel van onveiligheid. Teruggaan naar mijn vriendin, betekent ook teruggaan naar die wereld. Pas twee dagen later schrijf ik haar terug.
Ze woont er ook niet meer, antwoordt ze. Een nieuwe start biedt ze me aan. Kom je snel, vraagt ze nog.


Op een prachtige zondagmiddag draal ik eerst een kwartier voor haar voordeur en bel dan voorzichtig aan. Voor het eerst sinds 29 jaar omhels ik haar. Wat is ze mooi. En wat voelt het raar, die eerste vijf minuten.
Dan kruipen we naast elkaar en eten brood alsof er niets gebeurd is. We praten over vroeger en ik herinner me die maandag dat ik in de klas onder tafel kroop omdat de maatschappijleraar druk gesticulerend zijn arm voor me hief. Zij weet me te vertellen over de keren dat ik alleen door de straten fietste. Ik slik. Ooit belde ik bij haar aan met de smoes dat ik wilde spelen. Het enige dat ik zocht was een wc. Er was niemand bij mij thuis en een huissleutel had ik niet. Pas veel later kreeg ik de sleutel van de garagedeur. Mijn vriendin luistert. Ze geeft me chocola - dat weet ze nog - en knikt. Ze streelt me zachtjes over mijn arm. Nu gaan we verder, troost ze. We ruimen onze theekopjes op en de zon breekt door. "Weet je nog, die ene zomer?" vraag ik. We giechelen en haasten ons als de onbezonnen tieners van vroeger naar de supermarkt. Een kwartier later eten we op haar zonnige balkon weer chips met kerriedipsaus uit een zakje, precies zoals we die maakten in 1987. Het leven heeft blijkbaar zijn eigen agenda, besluiten we.


De avond daarna bestudeer ik liggend op mijn buik op zolder oude foto's. Naast me staat een bakje chips met kerriesaus uit een zakje. Wat ik zie is een schijnwereld vol desinteresse, angst en zelfzucht. Ik zoek een familiefoto, maar die bestaat niet. Met mijn vingertoppen aai ik over Ronnie de hond. Ik streel foto's van kleine C. en poes Paddy. Mijn ogen prikken als ik Edmund terugzie; mijn overleden vriend. Onderin de doos ligt een foto van de studentenkamer waar ik woonde als zestienjarige. Niemand die me daar bezocht. De paar fijne herinneringen raken me extra hard en laten me huilen, dwars over de rondslingerende prentjes.
Een paar dagen later Skype ik met mijn oude nieuwe vriendin. Ze laat me Papa Chico horen, het liedje uit de zomer van onze chipsaanvallen. De zomer waarin we samen ontwaakten. We zwaaien naar elkaar voor het scherm en bijten gelijktijdig op onze lippen.

woensdag 24 juli 2013

fatal error

Het gebeurt precies op die dag dat ik een interview moet afnemen via Skype. De afspraak met een bekende Nederlander staat al twee weken en is gisteren herbevestigd. Ik zit er helemaal klaar voor als de stroom uitvalt. Pats. Alles is stil. De koelkast stopt met zoemen, de vaatwasser houdt er ook mee op. De mierzoete muziek van de achterburen die door mijn open deur binnengolft, de pomp uit het kinderbadje bij de buren, de slijptol van de werklui op de bouwplaats, het warme water van de stadsverwarming, zelfs de vrolijke kinderstemmen: alles is gestopt. Het is doodstil.
Ook mijn telefoon werkt niet meer. De telefoonmasten zijn buiten werking. Sms'en lukt me niet, bellen is onmogelijk. Internet ligt eruit. Ik kan mijn beroemdheid niet bereiken en bal mijn handen tot vuisten. Het was niet makkelijk een afspraak met haar te maken. Ik hoop dat ik nog een kans krijg.
Ik denk aan een kennis, twee straten verderop die op het punt van bevallen staat. Ik hoop dat zij niet hoeft te bellen.


In de koelkast wordt de grote stapel barbecuevlees voor het etentje vanavond lauwer en lauwer. Mijn laptopbatterij zit nog voor een derde vol. Daar zie ik een kans. Nippend van een glas kraanwater leg ik de laatste hand aan een kort verhaal. Op straat het geluid van een stadsbus. Het is het enige dat ik hoor; alle andere auto's lijken in het niets verdwenen. De anders zo welkome stilte voelt nu verrassend genoeg beklemmend.
Twee uur later sijpelt ijswater langzaam uit de diepvries over het laminaat. Ik leg er een badlaken overheen. De wasmachine zit vol schuimend water. Ik heb trek in een kopje thee, maar de waterkoker werkt niet. Buurman vertrekt op zijn motor, ik schat op zoek naar een signaal waarmee hij kan bellen of uitvinden wat er aan de hand is. Buiten hoor ik driftig getoeter bij de spoorwegovergang. De bomen gaan na een paar uur aggregaat natuurlijk niet meer open en dicht.

Op zoek naar een telefoonsignaal om mijn belafspraak te bereiken, zwerf ik over straat. Ik ben de enige. Bij de supermarkt op de hoek van de straat staan de winkelwagentjes treurig en verlaten te glanzen onder de daarvoor bestemde overkapping. Er hangt een vel papier met een meisjeshandschrift erop voor de geblokkeerde schuifdeur. Het kassasysteem werkt niet, de deur gaat niet meer open. De winkel is gesloten. Een enorme truck met verse zuivel en vleeswaren wacht voor de gesloten achterdeur. De chauffeur zit ernaast op de stoep. Hij kan de manager niet bereiken, net zomin als zijn baas. De huisartsenpost is gesloten, net als het bejaardenhuis. Achter de voordeur heerst totale paniek omdat medische apparatuur is uitgevallen.
Het is warm buiten. Te warm. Als ik opschiet, heb ik nog een zuchtje energie in mijn laptop, genoeg om dit verhaal te schrijven. Het interview lukt niet, maar de column wel. Ik heb geluk.
In de verte hoor ik een ambulance aankomen. De zwaailichten loeien voorbij, richting spoor.

dinsdag 16 juli 2013

vertrouw niemand in een Nissan Micra

Al bij het wakker worden heb ik er zin in: vriendinnendag. Vandaag ga ik lunchen en bijkletsen met mijn liefste vriendinnetje. Met een tas vol gelezen tijdschriften en een cadeautje draai ik mijn auto de straat uit. Over twintig minuten zie ik haar weer. Mijn vingers tikken vrolijk op het stuur in de maat van de muziek. Mijn schouders wiegen heen en weer.
Halverwege mijn ritje rem ik af voor een rotonde. De afslag naar rechts is versperd door werkzaamheden en de auto voor me zoekt voorzichtig zijn weg. Mijn liedje begint aan het refrein en omdat ik het ken en de zon een tikkeltje doorbreekt, zing ik hardop mee. Alles is veilig: ik kan optrekken en oversteken. Met mijn voet al boven het gaspedaal, zie ik het gebeuren. Een auto schiet vanaf links met een rotgang de rotonde op. Ik schrik ervan. In een flits suist er een fiets door de lucht. De berijder, een jongen van een jaar of twintig, klapt tegen de grond. Hij heeft zo hard geremd dat hij de grond eerder raakt dan zijn fiets. Er komt een vonkje van het stuur. De automobilist schiet met stuurse blik voorbij. Zonder om te kijken rijdt hij door. Heeft hij niet gezien wat hij heeft gedaan, of is het Theo Tokkie himself? De jongen zit op de grond, zijn geschaafde handen hulpeloos geheven naar de auto die hem geen voorrang gaf. Mijn ogen en hersenen proberen het gebeurde te koppelen, maar het lukt niet zo goed. In mijn hoofd is het een warboel. Zag ik het nu goed? Dan werken mijn hersenen weer. Maar dát gaat niet gebeuren, denk ik, en voor ik het besef geef ik een dot gas. Mijn auto spuit vooruit en midden op de rotonde ga ik stilstaan. De doorrijder, een dertiger in een kleine Nissan Micra, komt stomverbaasd tot stilstand. Hij kan geen meter vooruit. Ik draai demonstratief de contactsleutel om en sla mijn armen over elkaar. Mijn motor verstomt. Aan de overkant parkeert een bestelbus achter de brokkenmaker. Nissanman kan geen kant meer op. Geërgerd kijkt hij me aan.
De dame uit de auto achter me spurt naar hem toe en rukt tevergeefs aan het vergrendelde portier.
De jongen wordt overeind geholpen door een oudere man. Hij klopt het vuil van zijn jas. Zijn broek is gescheurd. De fiets lijkt total loss. Nissanman blijft zitten. Hij draait het raampje open. Uitstappen is niet nodig.
De man van het bestelbusje heeft het figuur van een bulldozer. Hij noteert het kenteken van de zilverkleurige Micra en wenkt de bestuurder, die nu gelaten uitstapt. Zijn handen wijzen naar de hemel. Bestelbusman slaat zijn arm om de schouder van de trillende jongen die nu pas beseft wat hem overkwam. Achter me is de rij auto's gegroeid tot een kleine file. Ik zie het in mijn spiegeltje. Ik gebaar naar de man uit het busje of ik kan helpen. Hij schudt zijn hoofd en steekt zijn duim op. Ik zwaai terug en start met een glimlach de motor. Ik heb weer iets nieuws geleerd over mezelf. Rustig geef ik gas. Mijn vriendin wacht op me.

dinsdag 9 juli 2013

Gladys

Bloedmooi was ze. Mijn klasgenote Gladys. En ze had alles wat ik niet had: een tropisch tintje, ogen die je hypnotiseerden en een lach waarvoor mannen in de rij stonden. Met haar perfecte ronde vormen en de hartelijkheid die ze uitstraalde, liet ze elk levend wezen dat testosteron bezat de Maas volkwijlen. Gladys was volmaakt. Zelfs haar exotische, korte achternaam klonk duizendmaal mooier dan de Germaanse Oberstormbahnführerkreet die schalde als ik werd gezocht. Ze was zo aardig dat het zelfs mij niet lukte om hartstochtelijk jaloers op haar te zijn. Telkens als ze een spannend avontuur had beleefd, hing ik aan haar lippen. Dan straalden haar ogen en kneep ze vol vertrouwelijkheid zachtjes in mijn arm. En ook al was mijn leven nog niet een tiende zo prettig, ik gunde het haar.
Het geluk leek aan Gladys' kont te plakken. Fietsten we door glassplinters, dan had iedereen een lekke band, behalve zij. Werd er iets verloot: Gladys won het. De dag dat onze gymlerares besloot dat een van haar leerlingen een gymles mocht geven, werd Gladys uitgekozen. Als enige die was gevraagd - en niet door familie naar voren geschoven - liep ze mee tijdens de jaarlijkse modeshow in het dorp. Daar paradeerde ze tussen zes niet al te mislukte boerderijmeisjes in de klapper van de show: de trouwjurk. Haar benen kwamen voorbij mijn borsten.
De laatste keer dat ik haar zag was op een foto, gemaakt op het eindexamenfeest. Ik was daar niet bij omdat mijn ouders drie weken voor mijn examens besloten te scheiden, maar mijn vriendin vertelde dat Gladys er tijdens de diploma-uitreiking oogverblindend uitzag in haar rode jurk.


Op het moment dat ik mijn studentenhok inwisselde voor een huurflat op zestien hoog, hoorde ik over haar bruiloft. Haar nieuwe achternaam was die van de vroegere schoolhunk. De naam die we jarenlang allemaal in onze agenda's droedelden en voorzagen van dramatische hartjes.
Het kwam dan ook als een grote verrassing toen ik jaren later op een verjaardag hoorde dat Gladys verdrietig was. Ondanks haar goede baan en geweldige huwelijk, lukte het haar niet om zwanger te worden. Haar lichaam liet het afweten en ze was er kapot van. Nu heb jij ook wat, dacht ik, want ik was het jaar ervoor mijn grote liefde verloren. Beschaamd keek ik naar mijn stuk appeltaart. Bijna tien jaar heeft mijn schuldgevoel over die ene gedachteflits zich in mij verankerd. Dit verdiende Gladys niet. Bij iedere vriendin die zwanger werd, dacht ik aan Gladys.
Ademloos bekijk ik een bekend gezicht in een tijdschrift. Gladys' perfecte gebit fonkelt bijna als ze lacht. Stralend en slank zit ze in een luxe nieuwbouwwoning op de bank. Een prachtig jongetje van een jaar of zeven schurkt zich tegen haar aan. Haar zoon, vertelt ze in het interview. Na een verschrikkelijke ziekte, nestelde hij zich als spontaan cadeautje in haar buik. Alles is prima met hem. En met haar. Maar, stelt ze heel duidelijk, ze zou alles hebben opgegeven voor een baby. Zelfs de miljoenen die ze won in de Nationale Postcode Loterij.

dinsdag 2 juli 2013

alles is voor Bassie

22 Miljard euro. Dat bedrag loopt de Griekse schatkist jaarlijks mis door belastingfraude van eigen inwoners. Alleen al zes miljard daarvan is voor rekening van zwartwerkers. "Een bijna criminele daad onder de huidige omstandigheden," vindt de Griekse minister van Arbeid Giannis Vroutsis.
Het Griekse begrotingstekort is extreem. Stelselmatig valse cijfers misleiden het Europees Parlement, de Europese Commissie en het IMF. De Griekse staatsschuld is huizenhoog en stijgende.


Griekenland lijkt, de vele geldinjecties ten spijt, niet bereid er massaal de schouders onder te zetten. Niet zijzelf, maar anderen moeten maar opdraaien voor hun steeds sluwere besodemietertrucs. Het Griekse nationale bureau voor Toerisme verduisterde 12 miljoen euro via valse facturen. In januari 2013 meldde de Griekse belastingdienst dat 25.000 inwoners in 2012 maar liefst 7 miljard aan zwart geld doorsluisden naar het buitenland. Ambtenaren ontvangen toeslagen voor op tijd op het werk komen, handen wassen en doorwerken bij temperaturen onder acht graden Celsius. Maar vlak de burgerman niet uit! Veel restaurateurs printen geen kassabon en klusbedrijven melden een fractie van hun inkomsten. Uitkeringsfraude rijst de pan uit. Op Zakynthos woonden bijvoorbeeld vijfhonderd blinden: tienmaal het europees gemiddelde. Na controle zijn er nog twintig over; op het eiland reden zelfs blindverklaarde taxichauffeurs. Bijzonder vind ik zelf ook de zwembadfraude. 324 Inwoners van Noord-Athene meldden hun zwembad bij de belastingdienst. Inspecteurs zagen op foto's van Google Earth enkel hier al 17.000 zwembaden "Alles is voor Bassie", zou een vriend van mij zeggen.
 
Nederlandse kranten overspoelen ons nu drie jaar lang met informatie. "Gooi Griekenland uit de euro!" zeggen ChristenUnie en PVV. "Fraudeurs!" klinkt het massaal bij verbolgen lezers. Uit  onderzoek van Maurice de Hond blijkt dat slechts 5% van de Nederlanders wil dat Nederland Griekenland blijft steunen. Minister van Financiën, Dijsselbloem, trekt zich daar niets van aan. Hij acht het prima mogelijk dat een deel van de Griekse miljardenschuld wordt kwijtgescholden. "De eurolanden zijn - indien nodig - bereid om meer te doen om Griekenland te helpen," zegt hij in mei tijdens een interview met een Griekse krant. "Schandalig!" scanderen de bladen. "Oplichters!" brullen we op verjaardagsfeestjes.

Gelukkig is het bijna zomer. De schoolvakanties staan dan wel voor de deur, een vakantiesfeer is nergens te bespeuren. Tot en met juni werden blij trappelende barbecues amper twee keer afgestoft. Minirokjes liggen nog in de kast. Twitter braakt berichtjes over warme chocolademelk met slagroom en aangeslingerde cv-ketels. Intussen doen reisbureaus gouden zaken. Op de digitale snelweg ontstaan bijna files voor www.goedkoop-op-vakantie.nl en www.zonzoekers.com. Bij 0900-REISKNALLER spreekt men van overbezette telefoonlijnen. Jubelend trekken we onze portemonnee. En het mooist van alles: Nederland blijkt meer dan bereid om Griekenland te helpen. Ineens doen we niet meer zo moeilijk. Wij koopjesjagers laten ons namelijk voor geen enkel gat vangen. We boeken massaal lastminute-reizen naar Kreta en Corfu. Vijfenveertig procent meer Nederlanders van vorig jaar zoekt naar vakanties in Griekenland. En met deze instelling toont Nederland zich massaal solidair aan de Grieken: alles is voor Bassie.

woensdag 26 juni 2013

hallo buurman!

Aan het eind van de straat, in het hoekhuis met de kaarsrechte buxushaag, wonen Bollie en Drollie. Althans, zo noem ik ze. Of het aardige mensen zijn, weet ik niet. In alle jaren dat ik vlakbij ze woon, hebben we geen woord gewisseld. Haar heb ik één keer buiten gezien, samen met manlief onderweg van de voordeur naar hun Nissan Micra. Ik liet de hond uit en zag haar korte lijf van links naar rechts schommelen, als een tanker op volle zee. Haar borsten rolden als de woest schuimende golven. De auto zakte toen ze instapte. Manlief hielp haar met de gordel omdat haar arm in de kleine ruimte geen kant op kon. “Schiet op, lulhannes,” hoorde ik toen ik passeerde.

Haar man zie ik vaker. In de eeuwige dennengroenkleurige trui die om zijn buik spant, veegt hij twee keer per week de oprit. Iedere zaterdag wast hij de auto. De voordeur staat dan op een kier en wanneer ze denkt dat ik doorgelopen ben, commandeert Bollie verder. “Kofferbak stofzuigen!”
De ramen krijgen om de veertien dagen een wasbeurt. Hij staat dan met een keukenschort om op een krukje voor het raam. Vanaf de bank erachter wijzen haar worstvingers met afgekloven nagels hem de weg.
Iedere keer dat ik onze straat aan hun kant uit fiets, gluur ik naar binnen. Meestal ligt ze op de bank, haar bril naar de televisie gericht, een set Perzische kussens onder haar rug. Als haar plekje leeg is, kijk ik langer. Andere keren zitten ze kaarsrecht tegenover elkaar, hun lapjeskat op haar schoot, hij met zijn handen gevouwen. Heel, heel soms zie ik hem over tafel gebogen aardappels schillen.

Ik stel ze me samen wel eens voor. Zij met leren kaplaarzen tot over haar knieën en een zwartleren beulkap met ritssluiting over haar hoofd. Een stukje open omdat haar nek te fors is om tot onderin dicht te gaan. Hij met de billen omlaag hangend in de ringen. Een lichtblauwe onderbroek tot net onder zijn navel. Onderin is een inlegkruisje geplakt, want anders komen er strepen in het katoen en dat vindt ze vies. Een flinke tepelklem steekt rechtop om het roze knopje. Haar zweep klakt op het mintgroene zeil. “Vraag genade, hufter! Anders pies ik je onder!”
Een keer maakte ik voorzichtig contact met hem. De gordijnen waren verwijderd en het keukentrapje voor de ruit trok mijn aandacht. Drollie liep in de kamer op grijze pantoffels. Met een zeem wreef hij nauwkeurig het televisiescherm droog. Bollie was nergens te bekennen. Voorzichtig knikte ik zijn richting op, bijna onmerkbaar. Ik zag hem twijfelen. Zijn hand bewoog al een stukje omhoog toen vanuit de keuken een theedoek naar hem fladderde. Snel boende hij verder. Ik liep door naar de supermarkt en herinnerde me ineens dat ik gehaktballen moest kopen.

dinsdag 18 juni 2013

ken ik effe vanguh?

Een collega-schrijver en vriend van me is flink de Sjaak. Onlangs ontving hij een strenge brief vol ambtelijke taal waarin Meester Daniëlle (ik kreeg spontaan visioenen van lakleren knielaarzen en knallende zwepen) dreigde met fikse boetes wegens schending van het auteursrecht. Mijn vriend had het namelijk in zijn idiote hoofd gehaald een van zijn columns te decoreren met een op het internet gevonden foto. Krijtwit schreef hij excuses en wiste dezelfde dag nog alle foto's van zijn blog. Zelfs de koddige privéfoto's uit zijn bloedeigen Canon-cameraatje werden angstig weggepoetst.
Het mocht niet baten. De genadeklap kwam vandaag. De fotograaf is zo ontriefd, dat hij meent een forse schade op te lopen wegens "schending van de exclusiviteitsrechten". Dat de foto verwijderd is, doet er niet toe. "Cliënt vindt dat een beroep op de goede trouw niet kan baten, nu volgens vaste jurisprudentie eventuele onwetendheid voor eigen risico van de inbreukmaker komt."
Begrijpen doet vriendlief het half, maar als hij binnen vijf dagen 350 eurootjes dokt, gaat mevrouw Kaplaars niet naar de rechtbank.


Niet iedereen zal het gevolgd hebben, maar ook schrijver Kluun maakte kennis met dit verschijnsel. Hij ontving maar liefst vier facturen. In plaats van de gewraakte foto's te wissen, blokkeerde hij eenvoudigweg zijn hele website. Ook zijn Facebook-account staat op non-actief. Ik zie hem voor me aan zijn werktafel. Met een leeg hoofd door zijn opkomend writersblock, rekent hij op een Superman-calculator uit hoeveel fotografen zijn boek of de film "komt een vrouw bij de dokter" illegaal hebben gedownload.
Het raakt mij persoonlijk. Mijn vriend doet niets anders dan ik. Lekker stukkies schrijven. Alles gratis, ter lering ende vermaeck, maar vooral vanuit een diepe, verzengende passie. Vanuit een kriebel; een noodzaak om te schrijven en een fijne pagina aan te bieden. Tot nu toe ben ik de dans ontsprongen, al heeft u vast gemerkt dat ik al weken geen plaatjes meer gebruik. De tijd die ik normaal stopte in het zoeken van afbeeldingen, besteed ik nu aan het aanschrijven van bloggers. Iedere student die dicht, bijstandsmoeder die bespaartips geeft of zakenman die kennis deelt: iedereen waar ik een dubieus plaatje vind, krijgt een waarschuwende mail van me. Want meesteres Daniëlle waarschuwt niet, en dat vind ik nog het ergste. Mij is verteld dat er zelfs fotografen zijn die bewust een foto laten 'zwerven' met een code erin verstopt, zodat ze hem later kunnen googelen om extra inkomsten te generen.
Ik ben er druk mee, met dat waarschuwen. Nederland bezit duizenden, nee wat zeg ik, tienduizenden bloggers. Honderden columnisten en schrijvers die belangeloos informatie delen met de wereld. Soms lees ik de verhalen met een traan, omdat ze vertellen over hun ziekte, frustraties, of zoektocht naar werk. Of ik vind ineens de meest prachtige gedichten en foto's. Een paar van de mooiste thrillers die ik ooit ontdekte, las ik gewoon gratis op een persoonlijke website of blogpagina. Een spannend of grappig plaatje hield dan mijn aandacht vast en voor ik het wist, was ik verknocht.


Dus, beste bloggende hobbyschrijver: mocht je de komende weken géén persoonlijk mailtje krijgen van ene Karmanie: wees gewaarschuwd. Meesteres Daniëlle en consorten slijpen met glimmende oogjes en kinnen vol kwijl hun botte hakbijlen.

dinsdag 11 juni 2013

sprookje

Er was eens een klein meisje, dat zo prachtig, schattig en lief was dat iedereen haar bewonderde. "Wat heb je mooie krullen," zeiden de mensen toen ze nog jong was, en ze trokken haar op schoot. "Ik ken niemand met zulke lieve kuiltjes in haar wangen als jij." Huppelend rende ze in haar prinsessenjurkje door de straat en schonk iedereen die maar wilde haar meest stralende lach.
Op de middelbare school kwamen de eerste barstjes. Vond ze in groep acht haar etui wel eens vernield terug in haar jaszak, in de brugklas krasten de meisjes uit haar klas in haar agenda. Wij moeten jou niet op het schoolfeest, schreven ze. Jij bent niet welkom.
Tijdens de gymles, een jaar later, dacht ze te begrijpen waarom ze altijd alleen aan de kantinetafel zat. Haar borsten waren drie keer zo groot als die van het klasgenootje met het best gevulde roze behaatje. Het meisjesgegiechel tijdens het volleyballen klonk als satansgelach. In het zwembad was het gejoel minstens zo kwetsend als het stiekeme geloer. Ze was vijftien toen ze op weg naar huis van zwemles door twee onbekende jongens van haar fiets getrokken werd. Ze wilden 'even lekker voelen'.
Het meisje kocht een coltrui en knipte haar haren kort. Ze verfde het groen. Met enkel nog haar dagboek dat ze vertrouwde, nam ze een neuspiercing en stopte met het maken van huiswerk. Dolend door de stad beloofden drie jongens in bontjas haar te helpen. In plaats van vriendschap en vertrouwen gaven ze haar drank en drugs.  
Sterk was ze ook, dat meisje. Toen ze eenmaal snapte dat haar toekomst in haar eigen handen lag, rechtte ze haar rug. Studeren zou ze, in een grote stad waar niemand haar kende. Ze had haar propedeuse net gehaald toen de twee nieuwe vrienden haar niet zoals beloofd veilig thuis afzetten maar haar in een steegje als een lappenpop achterlieten.
Niemand zal mij nog kwetsen, dacht ze, en ze kleurde haar haren opnieuw. Dit keer diepzwart. Haar neuspiercing gleed met behulp van een warme speld nog makkelijk door het originele gaatje. Het dunne ringetje werd vervangen door een versiersel in de vorm van de slang die Eva in het paradijs had verleid. De lange, leren jas die tot aan de grond kwam, bedekte haar lichaam volledig. Niemand zou nog zien wat eronder zat. Geen enkele man zou nog aanstoot nemen aan haar. Schichtig liep ze door de straten in haar soldatenkistjes, haar hoofd gebogen, haar lippen strak.
En weer waren ze daar. De opgeschoten jongens.
'Vuile gothic', riepen ze. 'We zullen die piercings eens even uit je smoel raggen. Kleed je toch normaal. Freak!' Ze voelde de eerste beuk in haar gezicht. Een harde duw. Straatvuil dat prikte in haar handen. Mascara vlekte over haar wangen toen ze wilde opkrabbelen en een harde stomp in haar buik haar de adem benam. Een nog hardere klap in haar gezicht, haar handen beschermend voor haar ogen. De slang werd afgepakt en in een put gegooid. Het was in de modder op straat dat ze besefte dat ze nooit meer het gewone, aardige meisje kon worden dat ze altijd had willen zijn.