woensdag 9 oktober 2013

flikker maar weg


Stad en land had ik afgezocht naar hét perfecte cadeautje. Het moest stoer zijn en vooral praktisch, want daar houdt hij van. Na zestien keer de winkelstraat te hebben doorgecrosst, vond ik iets. Zijn lievelingsgeurtje - deodorant mét aftershave -  verpakt in een snoezig houten kratje waarin je post kunt bewaren. Het witgeschilderde bakje, met zwarte letters gesjabloneerd, paste precies bij de prulletjes in zijn huis. Kán niet missen, dacht ik.
Trots zat ik naast hem toen hij het uitpakte. Samen met het glanzende papier werd de grote strik en mijn handgeschreven cadeaukaart tot een prop gefrommeld.
"Zohoo," kreunde hij lafjes. "Dat is mooi." Nog voor ik iets kon zeggen werd het deurtje van de allesbrander geopend. Het schattige kistje verdween in de kachel. "Wat ze toch niet verzinnen om hun meuk in te stoppen," hoorde ik nog toen ik met prikkende ogen naar de vlammen staarde.
Een oud Engels gezegde luidt: one man's trash is another man's treasure. Wat voor de een waardevol is, blijkt voor een ander waardeloos. Het overkomt me vaker dat ik verdrietig word als ik zie wat anderen achteloos weggooien. Zelf ben ik een koesteraar. Ik glimlach zelfs naar de papieren tassen van luxe merken. Geef me een lege oranje Hermès-schoenendoos - een volle is ook prima - en ik ben als een kind zo blij.
Jarenlang heb ik aangenomen dat dit voor iedereen gold. Als ware trofeeën sleepte ik mijn schatten mee. In het meest luxe hotel waar ik ooit logeerde, verzamelde ik een hele week verfrissingsdoekjes. Op het folie van de in zeep gedrenkte tissues stond de naam en stad van het exclusieve vijfsterrenhotel gedrukt. Als ware het verdiende medailles gaf ik de helft van mijn acht doekjes aan mijn vriendin, die er hoppekee, dezelfde middag drie openscheurde. Een om aan te ruiken, een voor de vieze vingers van zoonlief, en een om een broodkruimel naast haar mond weg te poetsen. Verbijsterd keek ik haar aan. Mijn hart scheurde bijna uit elkaar en met mijn arm in mijn handtas streelde ik mijn doekjes.
Het was diezelfde vriendin waarmee ik ooit winkelde. Tijdens onze strooptocht kocht ze nieuw ondergoed. "Dat is hard nodig," zei ze. Terug in haar huis kieperde ze haar nieuwe aankopen op het bed, knikte goedkeurend, en mikte daarna al haar oude ondergoed weg. Sprakeloos keek ik naar de nog bijna nieuwe kanten slips in de prullenbak. Ik weet zeker dat als ik dezelfde maat had gehad, ik de broekjes er stiekem allemaal had uitgevist.


Ik blijf het raar vinden: het wegmieteren van prima spullen. Gelezen tijdschriften verdwijnen in de papierbak. Shampoomonsters, gratis zakjes bloemzaad, vazen die niet meer de nieuwste modekleur hebben  - of erger, hagelnieuwe Hello Kitty-buttons, - : het wordt achteloos weggegooid.
De slips, verfrissingsdoekjes en het jaloersmakende postkratje ten spijt: ze bestaan niet meer.
Gelukkig heb ik nog genoeg notitieblokjes, Chanel-linten, Wuppies, reclamesleutelhangers, balpennen en Hello Kitty-buttons voor een heel mensenleven. Ooit komt het allemaal van pas. Echt.

dinsdag 1 oktober 2013

je bent zelf een pannenkoek


"En toen zei die loodgieter: 'gaat u daar maar staan, mevrouw.' De brutaliteit!"
"Wat verschrikkelijk, Elly."
Ik zit met manlief in een pannenkoekenhuis en telkens wordt ons gesprek onderbroken door de snerpende stemmen van twee bejaarden. Ze zitten achter ons en heten Elly en Mieke, zo hebben we ontdekt. We weten ook alles over de hartkwaal van Elly's zus, de monsterkat van Miekes buurvrouw en het dure boeket dat na vier dagen al verlept was. Er is veel mis in het leven van Elly en Mieke. 
"Het werd nóg fraaier, Mieke. Een uur of vier later hoorde ik uit het keukenkastje: 'Een kopje koffie zou er wel in gaan, mevrouw.'"
"De vlegel! De messen zijn hier trouwens afschuwelijk groot."
"Alsof ik een serveerstertje ben! Die mannetjes klussen ook altijd zwart. Ze hebben geld zat voor eigen koffie hoor. Mijn Jan kreeg vroeger ook gewoon een thermoskan koffie mee naar zijn werk."
Het jonge stel aan het tafeltje tegenover ons krijgt hun pannenkoek. Nog voordat de serveerster de borden heeft neergezet, knijpt Mieke razendsnel in haar arm. "Duurt het nog lang met de onze? We wachten al bijna een kwartier op een simpel pannenkoekje."
De jongen kijkt verbaasd. Zijn kans om een nieuw drankje te bestellen is verkeken. Schouderophalend knipoogt hij naar mij. Ik glimlach terug en hef mijn glas proostend.
Als ik mijn dessertlepel in mijn lege ijscoupe laat zakken, haast de serveerster zich met twee volle borden naar de twee dames.
"Het werd onderhand tijd," mokt Mieke.
"Die champignons lijken nog een beetje rauw," schudt Elly haar hoofd.
Bijna buigend wenst het jonge meisje de dames een fijne maaltijd. Dan vangt ze het teken op van onze buurman. Nog voor hij drankjes heeft besteld, roepen de twee dames het meisje terug. De pannenkoek is wel erg zout. Graag twee glazen gratis water, en vooruit, twee cassis. En extra poedersuiker en een nieuwe vork, want deze is smoezelig. Het meisje holt af en aan met een nieuwe vork, suiker, extra servetten, en wordt wéér teruggestuurd. De muziek staat te hard. Elly en Mieke kunnen elkaar amper verstaan door het 'gejengel'.
Het stel naast ons fluistert, een meelijwekkende blik gericht naar de serveerster. Mijn man rolt met zijn ogen.
"Stel je voor dat mijn Anne-Clair serveerster was geworden," begint Elly.
Mieke gniffelt. "Anne-Clair? De schande!"
"Twee sinas voor de dames." De serveerster spreekt vrolijk. Er staan zweetplekjes in de oksels van haar witte blouse.
"Cassis! Hoe moeilijk is het? Twee cassis!" bast Mieke. Stukjes pannenkoek vallen uit haar mond.
Opnieuw knipoogt de jongen aan het tafeltje naast ons naar mij. "Sorry dat ik me ermee bemoei," zegt hij luid, "maar u vroeg echt om sinas," De serveerster krijgt een twinkeling in haar ogen en ik ruik mijn kans.
"Die meneer heeft helemaal gelijk. Ik hoorde het ook. U bestelde twee sinas."
Ik knipoog terug naar het jonge stel en naar de serveerster, die me dankbaar aankijkt.
Voor de eerste keer die avond zijn de dames muisstil.

dinsdag 24 september 2013

klotezomer


Hoera het wordt weer herfst! Met de winter op de loer! Ik ontvang het najaar met open armen. Samen met de felle stortregens en sierpompoenen voor de deuren, krijg ik namelijk mijn man weer terug. Juichend zet ik de thermostaat een graadje hoger: het is weer voorbij.
Als de eerste zonnestralen dagelijks de tuintegels een stukje verder aftoppen, kruip ik elk voorjaar weer in mijn schulp. Krullen de blaadjes zich voorzichtig open aan de verder nog lege takken; dan weet ik dat mijn tijd voorbij is. De lente; elk jaar weer feestelijk geopend met de nachtmerrie voor iedere vrouw boven de 35: Rokjesdag. Verzonnen door Martin Bril en omarmd door het manvolk. Hoe meer rokjes, hoe beter. Eerst flaneren ze nog wat schuchter over straat, maar rap na Pasen explodeert het benenparadijs. Knokig, slank, vlezig en pezig: manlief bekijkt ze allemaal van top tot teen. Liefst onder rafelig afgeknipte spijkerbroeken waar nog een stukje bil uitpiept.
Maanden was hij niet vooruit te branden, nu wil hij ineens “winkelen”. Op zijn horloge klokt hij vijfendertig minuten af. Daarna wil hij koffie drinken op een terrasje waar het wemelt van spaghettitopjes met wiebelende borstjes die zachtjes meedeinen met het gegiechel. “Nog een cappuccinootje, schat?” vraagt hij dan.
Zijn blik is verankerd in de fraaie billen van de serveerster en ik kijk schuldig naar de haartjes op mijn benen, mezelf afvragend of ik kattegrit heb gekocht. Mijn man wordt opgeslokt door heel andere gedachtes. Ineens voel ik zijn hand op mijn dij: “Is dat niets voor jou?”, wijst hij met röntgenogen naar een dame in een rokje van rood lakleer. Ze is minstens vijftien jaar jonger en vijftien kilo lichter dan ik.
Mijn allerliefste, die ik 's winters thuis kan uittekenen in de door hem toegeëigende fauteuil, transformeert langzaam van Dexter-addict naar vlotte vent. Over de schutting maakt hij de olijkste grapjes met de buurman. De lingeriefolder die bij mijn vriendin op tafel ligt, heb ik nooit op onze deurmat gezien. In de supermarkt wuift hij twee tieners in heupbroekjes galant vóór onze afgeladen familiekar. Dezelfde man die maandenlang zeurt om rookworst, gourmetavonden en Franse kaas, wil opeens wortelsnacks en kipfilet.
In de maand augustus ziet hij nieuwe perspectieven. Op vakantie in Italië scheuren schaterlachende schonen ons voorbij op hun Vespa's. Ze zwaaien luchtig in het voorbijgaan, hun tanden stralend wit en met wapperende bossen glanzend haar. Mijn man schuift zijn zonnebril omhoog als hij zich omdraait. Kleine stofwolkjes dwarrelen op het pleintje. Voor ik hem kan stompen, stapt een nieuwe Bella voor zijn neus een winkel uit. Die middag erken ik mijn nederlaag met terugtrekkende bewegingen naar het washok op de camping. Mijn man vermaakt zich in het zwembad. Ik zie hem vanuit mijn ooghoek zwemmen; rakelings langs de ligbedden vol bekoorlijke dames met hun buiken vol kokosolie en parelende druppels boven hun lippen. Mijn wraak is zoet: aan de waslijn, tussen onze tent en die van de zes studentes uit Sittard, hang ik zijn uitgelubberde witte slips, maatje extra large.


Ik heb mijn man weer snel voor mezelf.

dinsdag 17 september 2013

hollandse hufter

"Nou, wij zijn deze zomer dus negen dagen op safari geweest, ik en Elly. En ik kan je verzekeren: twee dagen is lang genoeg. We begonnen al fout door vooraf een dag naar Nairobi te gaan. Dat wilden we wel eens zien: zo'n stad in de rimboe. Het was niks. Zelfs het duurste hotel was oubollig en krakkemikkig. Dan moet ik erbij zeggen dat die negers nog best aardig waren.
Tja, toen kwam Kenia. Elly zei "doe maar juli, lekker weer. Maar niks hoor. Het was tussen de 9 en 23 graden. Daar is niks tropisch aan. We liepen met een trui aan in Afrika. Leuke vakantie heb je dan. Dan was Phuket stukken beter.
Dag één was nog wel aardig. De eerste keer dat je zebra's ziet rondlopen is best lollig. En buffels, ook grappig. Maar na vier uur rijden hadden we het wel gezien, nietwaar El? En er was niet eens Wifi. Zat je daar in zo'n jeep. Het dak was dicht en tussen het ijzeren frame waren kijkgaten gemaakt. Heel leuk hoor, maar getverderrie. Je werd door elkaar geschud tot en met en we zaten helemaal onder het stof. Afschuwelijk. En bonken op die zandpaden. Overal hobbels in de weg. Mijn nieren zitten nog achterstevoren. Leuk zo'n savanne, maar van al dat geld dat ze aan toeristen verdienen, verwacht je toch wel comfortabel asfalt. Op een gegeven moment zei de gids dat er leeuwen gezien waren aan de andere kant van het meer. Dat was twee uur extra rijden in die rammelbak en ook weer twee uur terug. Nou, laat dan maar zitten.
Na de zebra's, buffels en neushoorns kwamen de olifanten en giraffen. Geloof me, ook die heb je na een paar uur wel gezien. Elly zag nog een leeuw die een kadaver opvrat, maar toen we foto's wilden maken, sleepte hij zijn prooi het helmgras in. Alsof wij dat dooie beest wilden afpakken. Trouwens, in Thailand mag je op de olifanten rijden. Dat kon hier allemaal niet.
Een keer overnachtten we bij de Masai, zo'n inboorlingenstam. We kregen een welkomstdans. Stonden ze daar te springen in die rode lappen. Het was niet om aan te horen, echt.
Je moest ook vooraf vertellen hoe laat je wilde douchen, zodat je warme water vooraf gekookt kon worden. Alsof ik weet hoe laat ik wil opstaan op vakantie. En als je 's nachts wilde kakken, moest je zo'n inboorling roepen. Dan wapperde hij naast je met een zaklamp om de wilde dieren weg te jagen. Elly zei nog, "daarom dragen ze vast die malle rode jurken. Als rode stierenlappen, zodat de leeuwen de toeristen niet opeten."
Wij zijn gelukkig weer thuis. Weg van die enorme stofwolken en het viezige gevoel. Ik heb zebra's genoeg gezien voor de rest van mijn leven. Het verveelt zo snel, zo'n safari. Ik zei al tegen El: "Volgend jaar gaan we weer lekker naar Thailand. Die negers blijven maar bij hun giraffen. Saint Tropez is ook goed. Beetje lunchen bij club Nikki Beach. Lekker schoon, wit en fris. En ze hebben daar tenminste champagne die fatsoenlijk schuimt als je in de disco een champagnedouche wilt."
 

dinsdag 10 september 2013

hello titty!


"Mijn bruiloft wordt een drama als ik geen nieuwe borsten heb!"
Sprakeloos staar ik naar het televisiescherm. Ik kijk naar het TLC-programma Bridalplasty waar een bloedmooie dame deze zin huilend uitspreekt. Om haar heen knikken elf andere vrouwen bevestigend. Kirstens bruiloft wordt nóóit een succes met deze mandarijntjes onder haar trui.
Het programma, gepresenteerd door een kloon van Marijke Helwegen, volgt twaalf dames die wekelijks cosmetische operaties kunnen winnen. Er komt een gezellige 'injectables party' en de uiteindelijke winnares krijgt aan het eind van de serie nog een bruiloft.
Deze week moeten de kandidaten hun huwelijksgeloften opschrijven. Degene wiens 'vows' het best matchen met wat hun verloofde hoopt, krijgt een retourtje privékliniek voor een operatie naar keus.
Noem me naïef, maar bij het woord 'huwelijksgeloften' dacht ik altijd aan emotionele, doordachte teksten die symboliseren waar het huwelijk voor staat. Ik dacht aan verrimpelde handen die elkaar zoeken in de bus. Aan je partners rolstoel duwen als het tegenzit en aan gelukkig zijn met wat je hebt, of dat nu twee ton op de bank, of een stokoude kampeertent is. Gisteren heb ik geleerd dat ik hopeloos romantisch ben. In het land van Mickey Mouse blijken hoop en beloften anders.
Slechts twee dames bieden "eeuwige trouw en steun in voor- en tegenspoed". De rest belooft zonder blikken of blozen zes dagen seks per week en niet meer mopperen na 's mans casinobezoek. Star Wars-verzamelingen mogen na het jawoord toch blijven en eenmaal getrouwd wil vrouwlief wél mee naar wedstrijden van de Chicago Cubs. Mijn oren flapperen ervan.
Gaan deze mensen ooit werkelijk beslissen over de nieuwe Amerikaanse president en indirect de toekomst van Syrië en Irak? Verbaasd slik ik mijn opgehoopte brok speeksel weg en probeer genoeg moed te vinden om verder te kijken. Het moet toch beter worden? Dit programma is vast een grapje.


Na alle geloften en het verzamelen van de punten, rollen bij twee dames tranen vol uitgelopen mascara over de wangen. Zij wonnen deze week geen ingreep. "Het is niet dat ik het niemand gun, ik heb die wittere tanden en liposuctie in mijn bovenarmen alleen zo ontzettend hard nodig," grient een van de - overigens prachtige - meisjes. Überbitch Jenessa knikt minzaam. Zij heeft hele strategieën uitgedacht om andere kandidaten weg te werken. Haar enige ambitie is 'de perfecte bruid zijn'. Dat lukt alleen met fillers, een wenkbrauwlift en een neuscorrectie. Dat ze daarbij anderen de grond intrapt maakt haar niet uit. 'In het kader van competitie is alles geoorloofd,' kwettert ze. Met haar elleboog duwt ze een andere kandidaat uit beeld.
Met ingezakte schouders besluit ik het programma af te kijken. Intussen google ik op mijn laptop en zie dat er forums vol vurige discussies zijn over wie het meest recht heeft op de trouwerij. Ik vind zelfs twee pagina's vol gebabbel over de irritante manier waarop bride-to-be Lisa het woordje verloofde uitspreekt (“fi-ahhhhhhhn-céééééé"). Bridalplasty is allerminst een grapje. Het is de tendens van hoe jonge vrouwen denken dat hun wereld beter wordt.
Cheyenne (21) wint het programma van vandaag. Zij mag direct door naar het ziekenhuis en krijgt als beloning een versmalde neus. Ze is extatisch van geluk.


Bridalplasty: maandagavond, 22.00 uur, TLC.

woensdag 4 september 2013

Nokia E66



Ik moet een nieuwe telefoon. Dat klinkt een beetje dwingend. Als een luxe uitspraak. Het wekt de indruk dat ik toe ben aan iets nieuws. En om eerlijk te zijn, ben ik dat ook.
Ook al ben ik van de generatie die nog een gele Sony walkman had - met van die rubber randen eromheen - , ik ga met mijn tijd mee en ben al jaren mobiel bereikbaar. Mijn huidige telefoon is een Nokia E66. Ik kocht hem in juli 2008: in het huidige tijdperk vol snufjes is dat de prehistorie. Er zit nog net geen slinger aan die in de ochtend moet worden opgedraaid. Appen - dat schijnt heel handig te zijn - kan ik er niet mee, net zomin als filmpjes opsturen of een internetpagina op mijn schermpje met formaat postzegel uploaden. Om nog een beetje over te komen als een hippe meid en niet als dinosaurus, prijkt er op de rug van mijn Nokia een sticker van Hello Kitty; mijn stiekeme vriendinnetje. Die opzichtige sticker heeft me zeker nog een jaar geholpen de boel een beetje te pimpen, zoals dat in hedendaags jargon heet.

In mijn portemonnee is het grote sparen inmiddels begonnen, want ik ben me rot geschrokken van de prijzen van een kekke foon. Een iPhone doet toch minstens zevenhonderd euro. Sinds ik dat weet, heb ik nog minder respect voor een kennis die wel ieder nieuw type aanschaft maar intussen jaloers klaagt dat ze ook wel eens een nieuwe jas zoals de mijne wil hebben. Zevenhonderd euro voor een telefoon gaat Karmanie in nog geen zevenhonderd jaar betalen. Een mobieltje is voor mij geen statussymbool maar een communicatiemiddel. En mijn oude doet het nog steeds.
Toch ontving ik vorige week een sms'je van een opdrachtgever. Kan ik je appen? Het was na de cynische opmerking van een interviewee* en die keer dat ik meewarig werd bekeken door een ober die mijn Kittyfoon op tafel zag liggen, wel een signaal. Ik ben niet meer hip. Ik wek de indruk dat ik niet meer van deze tijd ben en, erger, misschien ook wel gedateerde stukjes schrijf. Over gele middeleeuwse Sony-walkmans met rubber stootranden erom, bijvoorbeeld. Daarom ga ik binnenkort op zoek naar een meer prijsbewust wonder waarmee je gewoon kunt bellen en dat tegelijkertijd een king size scherm heeft. De Galaxy Grand, misschien? En er moet natuurlijk wel een Hello Kitty-cover omheen passen.
De fraaiste aanwijzingen dat ik met mijn Hello Kittymobiel thuishoor in het land der fossielen, kreeg ik de afgelopen weken toen ik wat beter om me heen keek. Voor me in de rij bij de supermarkt stond een meisje van dertien met de allernieuwste iPhone. Op vakantie had de meest armoedige straatventer kapotte sokken in sandalen maar wel een kekke Samsung Galaxy en - de klapper - bij de bushalte speelde een zo te zien zevenjarig kind op een Sony Xperia Z.
Later las ik het berichtje van een andere tiener: Moest vandaag kut formelier inlevere mr me tostie was facking lekkah. En nu chilluhhhh!!!!
En dure iPhone of niet, zo trendy en blits schrijf ik als Typosaurus Seniorus zelfs niet op de allernieuwste en allerduurste telefoon.


*interviewee: iemand die geïnterviewd wordt.

dinsdag 27 augustus 2013

de verliezer (kort verhaal)

Ik kan me niet meer beheersen, geef hem een mep op zijn wang. Zo hard als ik kan. Flarden spuug komen mee uit mijn mond als ik schreeuw: “Lafbek! Vieze, gore smurfendrol!” Emiel kijkt glazig door me heen, trekt zijn lip op. Mijn hand doet zeer.

De dag begon nog wel zo goed. Ik hoefde vandaag bij de apotheek niet te wachten en was snel klaar. Daarna vond ik in mijn jaszak een briefje van twintig euro. Geen idee hoe dat daar kwam, maar vandaag geen macaroni of witte bonen in tomatensaus maar riblap! Toen ik ook nog met de leuke studente in de lift stond, dacht ik dat mijn dag niet meer stuk kon.

Het was druk toen ik aan kwam op de parkeerplaats van de bouwmarkt. Van mijn extraatje kon ik eindelijk mijn deurbel repareren. De auto’s op de invalidenplekken stonden krap geparkeerd. Het kostte me vandaag meer geworstel dan anders om uit mijn scootmobiel te klimmen. Licht hijgend sloot ik de deur. Door alle inspanning ontsnapte een scheet. Juist toen ik me omdraaide en mijn eigen lucht herkende, zag ik hem. Hij stapte uit een donkerblauwe Audi die glom van protserigheid. Met grote stappen beende hij mijn richting uit, zijn arm achterlangs op de auto gericht. Het alarm bliepte. Emiel, nu nog een meter of veertig van me af, liep richting ingang.
Emiel! Vroeger vingen we urenlang kikkervisjes. We schommelden in autobanden, druk discussiërend of katten een rotje in hun kont wel of niet zouden overleven. De urenlange opwinding van onze fantasie bracht al voldoening. Emiel, nu in ribbroek met collegesjaal heeft mij nog leren tongzoenen. Geen meid zou ons ooit uitlachen. Bloedbroeders waren we. In mijn eerste autootje trokken we door Frankrijk, keihard meeblèrend met de cd van U2. In de achterbak oma’s oude tent en vier kratjes Heineken. Emiel wilde makelaar worden, ik miljonair. Nachtenlang boomden we over later. Tot ik ziek werd.


Mijn hand wuifde naar hem en Emiel minderde vaart met vragende blik. Daarna herkende hij me, ik zag het meteen. Na al die jaren kan ik iedere frons of rimpel bij hem lezen. Ik ben nu een stuk magerder. Emiel niet. “Emiel,” zei ik. “Dat is lang geleden!” Hij keek me vragend aan, loerde opzij naar mijn gebutste driewieler. Emiel kennende vindt hij de konijnenpoot aan het draadstalen mandje weerzinwekkend. “Ken ik u?” vroeg hij. Zijn gezicht zonnebankbruin, zijn tanden synthetisch wit. Ik knipperde met mijn ogen.
“Ik ben het, Fons!” Het kwam uit mijn mond, maar mijn stem klonk anders dan daarnet bij de apotheek. Stoïcijns staarde hij me aan. Ik hielp hem. “Je weet wel, de twee vleesketiers!” Mijn hand zwaaide in de lucht als de happende barbecuetang uit de campingwinkel. Zwijgend staarde hij naar de korst op mijn hand. Zijn kin week omhoog en zijn neusvleugels stonden opengesperd.
Toen ik net ziek was kwam Emiel nog vaak op bezoek. We lazen samen Batmanstrips of jureerden verpleegstersbillen. Emiel kreeg een vriendin, studeerde af, kocht een auto. Zijn wereld werd steeds groter en de mijne alleen maar kleiner. Ik wachtte. Wekenlang. Steeds wanhopiger. Eerst op Emiel en later op een donornier. Met steeds minder energie zag ik soms de zon door het ziekenhuisraam en droomde over prikkende zonnestralen op onze ruggen en over vergeten beloftes.

“Sorry,” antwoordde Emiel. Zelfs zijn stem klonk chique. Een man in een trenchcoat groette hem en in Emiels knikje zag ik zijn opgelatenheid. “Ik heb haast.” Het klonk zo onverschillig dat ik nu met zekerheid weet dat hij al mijn brieven heeft weggegooid. “Pardon” zei hij formeel, zijn voeten al gedraaid richting schuifdeur.
Een warmtegolf jaagt nu door me heen, verspreidt zich als een vlek. “Pardon ja!” schreeuw ik uit en wetend dat ik al zijn vooroordelen bevestig, treft mijn pezige, knokige hand doel met alle kracht die ik in me heb.
Karmanie schrijft behalve columns ook interviews, journalistieke stukken, fictie en non-fictie.
Deze week als intermezzo een kort verhaal.

dinsdag 20 augustus 2013

met je reet op Donnie

Vier kwam ik er tegen, dit weekend. Vier rouwmonumenten voor overleden kinderen langs de openbare weg. Dacht ik in eerste instantie nog een relaxed fietstochtje te maken; na de vierde stapel bloemen, lantaarntjes, knuffelberen en beschilderde kruisen -  met geboorte- en sterfdatum van Kevin deze keer - verlangde ik naar huis.

Vandaag staat in de kranten dat de moeder van de doodgereden Donnie verbijsterd is, omdat de gemeente Den Haag het door een heuse kunstenaar gefabriekte zitbankje niet wil plaatsen.
Het college stoort zich aan het prominente kruis op het bankje en refereert aan de regels omtrent grafmonumenten in openbare ruimtes. Kunst is uiteraard relatief, de een houdt ervan, de ander vindt het spuuglelijk. (zelf vind ik de Donnie op het bankje meer lijken op een rijpe twintiger dan op een kind van 13). De gemeente houdt hierbij wel een slag om de arm door alle media-aandacht even af te wachten.


Ik snap dat mensen zichzelf graag een plek toe-eigenen om te rouwen. Dat kan prima op begraafplaatsen, kerkhoven en bij urnenmuren, in alle rust en waarvoor je vrijwillig door de poorten loopt. Een ingetogen plek om geliefden te herdenken, zonder gevaarlijk geparkeerde auto's in het bermgras of omgevallen fietsen langs provinciale wegen.
Met jaarlijks 650 dodelijke verkeersslachtoffers is het echter zaak dat er regels zijn over het lukraak plaatsen van gedenktekens. Ik hou soms mijn hart vast als ik mensen bij het invallen van de schemer kaarsen zie aansteken op onverlichte provinciale wegen of in het gras zie zitten langs een ringweg in de bebouwde kom. Oordeel niet te hard, ik heb zelf ook een gezinslid verloren aan een auto-ongeluk. Rouwen doe ik nog dagelijks: bij het graf of wanneer ik fotoboeken kijk. Daar hoeft van mij geen wildvreemde met z'n reet op te zitten. Maar wat voor de achterblijvers voor wie een graf, urn of gedenkplekje thuis niet voldoende is?

De RTL-stal en half Ajax willen met een benefietvoetbalwedstrijd geld inzamelen voor een landelijk monument voor alle minderjarige slachtoffers van huiselijk geweld. Dat lijkt me een prachtig initiatief van de stichting RuJu. Cijfers tonen aan dat er in Nederland jaarlijks ongeveer 45 mensen overlijden door huiselijk geweld, waarvan 14 kinderen. Een eigen plekje voor hen in Zeist is dan ook een prachtig gebaar.
Als ik verder google, leer ik dat er zich tussen de eerdergenoemde 650 verkeersdoden maar liefst 32 kinderen bevinden. Verder speurwerk levert op dat er voor al deze slachtoffers geen landelijk herdenkingsmonument bestaat.
Zullen we afspreken dat als de heren voetballers genoeg geld hebben binnengeharkt voor stichting RuJu en het monument in Zeist een feit is, ze een tweede potje ballen voor een fatsoenlijk monument voor alle verkeersslachtoffertjes als Donnie en Kevin? Dan kan meteen de wildgroei aan kandelaartjes en beren na een fatsoenlijke rouwtijd weer worden weggehaald.

dinsdag 13 augustus 2013

grenzeloze lafheid

Ze kwam naast me wonen en ik wilde contact maken. Leuk, dacht ik nog, iemand om mee te delen.
Al na een paar keer viel me op dat ze ineens dezelfde kleur oogmake-up gebruikte als ik. Ik hield mijn mond. Ik zweeg ook die keren dat ze langs kwam voor 'een theetje' en al bij binnenkomst vertelde dat ze 'eigenlijk geen tijd had'. Opgejaagd zette ik de ketel op, terwijl ze vast alle weekbladen verzamelde die ik gelezen had. Haar tijdschriften gingen naar haar zus.
'Vertel jij maar, ik heb niets interessants beleefd,' hoorde ze me uit, terwijl ze haar i-Phone bestudeerde. "Dit is echt belangrijk." "Deze moét ik even nemen." "Mijn man, wacht even."
De keren dat ik haar mee uit nam voor een lunch of kopje koffie in een lunchroom werden alle versnaperingen gretig verorberd en geaccepteerd. Betalen liet ik haar niet, want 'ze kon net de aanbetaling voor haar vakantie fiksen.' En ondanks dat ik "echt geweldig was," kwam er nooit een uitnodiging terug. En nog snapte ik het niet. Ze had het vast druk, vergoelijkte ik. Ze schaamde zich vast voor haar kleine portemonnee. Ik hielp haar met alle copywerk voor haar eenmanszaak, want dat doe je als vrienden onder elkaar. De enige keer dat ik haar belde met een vraag over haarverf, 'was ze aan het werk.' Ze belde niet terug. De vakantie die ik haar aanbood om haar wereld groter te maken werd geaccepteerd en verorberd zonder ook maar een drankje te betalen. Een bos bloemen bij thuiskomst kreeg ik niet en tijdens de terugreis gaf ze aan dat ze die avond niet samen wilde eten wegens 'andere prioriteiten'. De dvd met gesorteerde foto's waar ik bijna elf uur aan had gewerkt - jij weet de volgorde vast beter dan ik - werd bij de voordeur opgehaald. 'We kijken later wel, heb haast!". Mijn hart brak in duizend stukjes, maar geloven in zoveel oppervlakkigheid kon ik toen nog niet. Mijn laatste geste, een kerstcadeautje, werd geaccepteerd met de vraag of ik de bon nog had. Ze wilde het ruilen in de winkel. En nee, zij had niets voor mij.


Mijn gas terug nemen werd dankbaar aanvaard. Moeite was aan mij niet besteed. Haar man stopte nog bij de voordeur voor een babbeltje; zij stoof zonder groeten voorbij. Contact werd vermeden, in vertrouwen vertelde geheimen likkebaardend doorverteld.
Nog net op tijd werd ik toen ik verhaal wilde halen bij de voordeur weggetrokken door mijn lief. 'Ik ga wel, je weet hoe ze is. Als jij haar confronteert, schrikt ze misschien. Maar ik zeg wel hoeveel pijn je hebt.'
Ze kwam haar holletje niet uit. Pas nadat manlief haar duidelijk maakte dat het misschien wel correct zou zijn mij te benaderen, hoorde ik wat. Een mailtje, schreef ze, zou niet alles goedmaken, maar, 'meer kon ze echt niet doen.' Verbaasd en beschadigd staar ik naar het scherm. Zes zinnen van 'meisje_322'. Meer kwam er niet. Een e-mailtje na twee jaar van mijn vriendschap, verzonden uit het huis naast me.

woensdag 7 augustus 2013

een beetje begrip voor de zakkenroller

"Het wordt steeds moeilijker voor me: zakkenrollen. Afgelopen weekend heb ik op de Gaypride gewerkt en de buit was karig. Negen smartphones, een Rayban-zonnebril, twee paspoorten, en uit alle gerolde portemonnees zo'n dertienhonderd euro aan contanten. De concurrentie maakt het lastig. Je wilt gewoon niet weten hoeveel het had kunnen zijn met minder kapers op de kust.

Deze drie dagen zijn er tientallen zakkenrollers gearresteerd. Alleen op het Rembrandtplein al 47. Het merendeel van de daders kwam uit Roemenië. Dit soort sukkels maken ons land te schande. Zij hebben niet goed geoefend, laten zichzelf de dag erna vaak wéér betrappen, en ik word erop aangekeken.
Ik ben nog nooit ontmaskerd. Ik ben namelijk een vakman. Een Pro. Apetrots ben ik op mijn lange vingers. In mijn thuisland, Roemenië, kan ik er niet veel mee. Ik wil niet werken op het land, want dan beschadig ik mijn handen. Fietsenmaker worden is ook niks voor mij. Dan krijg ik eelt op mijn vingertoppen. En met boodschappen inscannen achter de kassa verlies ik mijn vingervlugheid.
Ik heb gezocht naar andere mogelijkheden. Makkelijk werk met erkenning voor vakmanschap. Mijn talent lag in het zakkenrollen. Nederland bleek het paradijs. Ik geef meteen toe dat Dubai leuker is dan Hengelo of Tilburg - daar is altijd zon en iedereen draagt een Rolex of Breitling - , maar de straffen zijn in Dubai veel te hoog. Ik ben niet gek. Voor het opsteken van een middelvinger krijg je daar al gevangenisstraf. Ook in Duitsland en Zwitserland zijn ze niet kinderachtig.
Op sommige dagen bedel ik. Bedelen ja. Erg hé? En dat terwijl we allemaal broeders en zusters zijn. Roemenië hoort net als Bulgarije namelijk gewoon bij de EU. Ik bedoel maar. Snapt u het nog? Het levert overigens wel genoeg op, dat met de pet rondgaan. Zeker zestig euro per dag. Dat is bijna een maandsalaris in mijn geboortestreek.

Mijn vrouw vindt mijn zakkenrollerij maar niks. Te weinig contact met de mensen, zegt ze. Zij zit in het kettingrukken: iemand de weg vragen, als dankjewel een knuffel geven, en vliegensvlug alle sieraden weggrissen. Dat werkt vooral bij oude mensen. Easy peasy, zeg maar. Soms heeft ze geen zin in social talk en rukt ze gewoon de sieraden af. Anders gaat het toch maar naar hun kleinkinderen.
Nog een jaartje, dan kunnen we een huis in ons vaderland betalen. Cash hé. Je denkt toch niet dat ik mijn leven lang ga sappelen met zoveel talent? De truttigheid.
Ik ben geen tiepje dat van negen tot vijf kan werken. Ik heb vrijheid nodig. Mijn eigen tijd indelen, geen werkdruk en geen verantwoording aan een baas. Samen boterhammen met leverworst eten in een kantine: de gruwel. Nee, dan is dit stukken beter. Vandaag bijvoorbeeld lig ik lekker in het zonnetje na mijn harde werk op de Gaypride. Ik kon het even niet meer opbrengen na drie dagen keihard stelen uit roze netkousen en leren broekjes. Vandaag heb ik dus een baaldag. Even bijkomen ja. Mag ik?"

woensdag 31 juli 2013

chipsmonsters forever

Een half uur nadat ik per toeval tegen haar ouders botste, mailt ze me al: mijn vroegere vriendinnetje. Lieve Eveline, drie weken geleden had ik het nog over jou. Ik heb je een paar keer gezocht, maar iemand zei dat je in Amerika woonde.
Nerveus klik ik het bericht weg. Met mijn vriendin komen ook de herinneringen terug. Mijn oude leven. Mijn oude dorp. Flarden van gesprekken, geschreeuw, het diepe gevoel van onveiligheid. Teruggaan naar mijn vriendin, betekent ook teruggaan naar die wereld. Pas twee dagen later schrijf ik haar terug.
Ze woont er ook niet meer, antwoordt ze. Een nieuwe start biedt ze me aan. Kom je snel, vraagt ze nog.


Op een prachtige zondagmiddag draal ik eerst een kwartier voor haar voordeur en bel dan voorzichtig aan. Voor het eerst sinds 29 jaar omhels ik haar. Wat is ze mooi. En wat voelt het raar, die eerste vijf minuten.
Dan kruipen we naast elkaar en eten brood alsof er niets gebeurd is. We praten over vroeger en ik herinner me die maandag dat ik in de klas onder tafel kroop omdat de maatschappijleraar druk gesticulerend zijn arm voor me hief. Zij weet me te vertellen over de keren dat ik alleen door de straten fietste. Ik slik. Ooit belde ik bij haar aan met de smoes dat ik wilde spelen. Het enige dat ik zocht was een wc. Er was niemand bij mij thuis en een huissleutel had ik niet. Pas veel later kreeg ik de sleutel van de garagedeur. Mijn vriendin luistert. Ze geeft me chocola - dat weet ze nog - en knikt. Ze streelt me zachtjes over mijn arm. Nu gaan we verder, troost ze. We ruimen onze theekopjes op en de zon breekt door. "Weet je nog, die ene zomer?" vraag ik. We giechelen en haasten ons als de onbezonnen tieners van vroeger naar de supermarkt. Een kwartier later eten we op haar zonnige balkon weer chips met kerriedipsaus uit een zakje, precies zoals we die maakten in 1987. Het leven heeft blijkbaar zijn eigen agenda, besluiten we.


De avond daarna bestudeer ik liggend op mijn buik op zolder oude foto's. Naast me staat een bakje chips met kerriesaus uit een zakje. Wat ik zie is een schijnwereld vol desinteresse, angst en zelfzucht. Ik zoek een familiefoto, maar die bestaat niet. Met mijn vingertoppen aai ik over Ronnie de hond. Ik streel foto's van kleine C. en poes Paddy. Mijn ogen prikken als ik Edmund terugzie; mijn overleden vriend. Onderin de doos ligt een foto van de studentenkamer waar ik woonde als zestienjarige. Niemand die me daar bezocht. De paar fijne herinneringen raken me extra hard en laten me huilen, dwars over de rondslingerende prentjes.
Een paar dagen later Skype ik met mijn oude nieuwe vriendin. Ze laat me Papa Chico horen, het liedje uit de zomer van onze chipsaanvallen. De zomer waarin we samen ontwaakten. We zwaaien naar elkaar voor het scherm en bijten gelijktijdig op onze lippen.

woensdag 24 juli 2013

fatal error

Het gebeurt precies op die dag dat ik een interview moet afnemen via Skype. De afspraak met een bekende Nederlander staat al twee weken en is gisteren herbevestigd. Ik zit er helemaal klaar voor als de stroom uitvalt. Pats. Alles is stil. De koelkast stopt met zoemen, de vaatwasser houdt er ook mee op. De mierzoete muziek van de achterburen die door mijn open deur binnengolft, de pomp uit het kinderbadje bij de buren, de slijptol van de werklui op de bouwplaats, het warme water van de stadsverwarming, zelfs de vrolijke kinderstemmen: alles is gestopt. Het is doodstil.
Ook mijn telefoon werkt niet meer. De telefoonmasten zijn buiten werking. Sms'en lukt me niet, bellen is onmogelijk. Internet ligt eruit. Ik kan mijn beroemdheid niet bereiken en bal mijn handen tot vuisten. Het was niet makkelijk een afspraak met haar te maken. Ik hoop dat ik nog een kans krijg.
Ik denk aan een kennis, twee straten verderop die op het punt van bevallen staat. Ik hoop dat zij niet hoeft te bellen.


In de koelkast wordt de grote stapel barbecuevlees voor het etentje vanavond lauwer en lauwer. Mijn laptopbatterij zit nog voor een derde vol. Daar zie ik een kans. Nippend van een glas kraanwater leg ik de laatste hand aan een kort verhaal. Op straat het geluid van een stadsbus. Het is het enige dat ik hoor; alle andere auto's lijken in het niets verdwenen. De anders zo welkome stilte voelt nu verrassend genoeg beklemmend.
Twee uur later sijpelt ijswater langzaam uit de diepvries over het laminaat. Ik leg er een badlaken overheen. De wasmachine zit vol schuimend water. Ik heb trek in een kopje thee, maar de waterkoker werkt niet. Buurman vertrekt op zijn motor, ik schat op zoek naar een signaal waarmee hij kan bellen of uitvinden wat er aan de hand is. Buiten hoor ik driftig getoeter bij de spoorwegovergang. De bomen gaan na een paar uur aggregaat natuurlijk niet meer open en dicht.

Op zoek naar een telefoonsignaal om mijn belafspraak te bereiken, zwerf ik over straat. Ik ben de enige. Bij de supermarkt op de hoek van de straat staan de winkelwagentjes treurig en verlaten te glanzen onder de daarvoor bestemde overkapping. Er hangt een vel papier met een meisjeshandschrift erop voor de geblokkeerde schuifdeur. Het kassasysteem werkt niet, de deur gaat niet meer open. De winkel is gesloten. Een enorme truck met verse zuivel en vleeswaren wacht voor de gesloten achterdeur. De chauffeur zit ernaast op de stoep. Hij kan de manager niet bereiken, net zomin als zijn baas. De huisartsenpost is gesloten, net als het bejaardenhuis. Achter de voordeur heerst totale paniek omdat medische apparatuur is uitgevallen.
Het is warm buiten. Te warm. Als ik opschiet, heb ik nog een zuchtje energie in mijn laptop, genoeg om dit verhaal te schrijven. Het interview lukt niet, maar de column wel. Ik heb geluk.
In de verte hoor ik een ambulance aankomen. De zwaailichten loeien voorbij, richting spoor.