Een van mijn passies is het vinden van hilarische flauwekul. Prullen waarvan iedereen zich afvraagt waarom ze bestaan. Cocktailprikkers met slingerapen, oranje sokken met aangebreide tenen of opvouwbare, kartonnen bekers. Op markten, in winkels, zelfs in iedere koopgoot sla ik door. Bij het bordje “sale” knettert er iets in mijn eksterhoofd. Als mijn radar ook maar ergens meuk detecteert, spuit mijn bloed door d’aderen. Hoe gekker hoe liever. Ik kwispel voor iedere vitrine. Zelfs die van de hakkenbar.
Het geeft me een ultraveilig gevoel, mijn roze kittykar. Ik weet namelijk zeker dat ik niet hoef te vrezen als ik geparkeerd sta op het stationsplein of in de garage die hier “onderdelenmagazijn” wordt genoemd. Zelfs de grootste hork met bivakmuts en breekijzer laat mijn blikje met rust. Bij het door de ruiten schijnen van de zaklamp smelt zijn hart. “Ochgussie”, denkt hij dan. “dit poezelige autootje is vast van een heel schattig, lief, blond meisje. Deze auto is haar trots. Dat kan ik niet kapotmaken. Laat ik maar naar die Mercedes SLK gaan, met de dennenboom-luchtverfrisser en laptop op de achterbank”.